1. 1De personen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, b en c, en tweede lid, onder b, worden ingedeeld in de categorie werkloze van meer dan 3 jaar.
2. De persoon, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder d, wordt ingedeeld in de categorie van 2 tot 3 jaar werkloos.
3. De persoon, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder c, wordt ingedeeld in de categorie van 2 tot 3 jaar werkloos, tenzij zijn inschrijvingsduur bij de Centrale organisatie werk en inkomen, rekening houdend met artikel 3meer dan 3 jaar bedraagt.
4. De personen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder d, e en h, worden ingedeeld in een van de categorieën, bedoeld in artikel 5, tweede lid, overeenkomstig de indeling die op hen van toepassing was in hun eerdere dienstbetrekking in het kader van de wet.
5. De persoon, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a, wordt ingedeeld in een van de categorieën, bedoeld in artikel 5, tweede lid, waarbij de werkloosheidsduur voorafgaand aan en na afloop van zijn arbeid wordt aangemerkt als een ononderbroken periode van werkloosheid.
6. Voor een jongere uit de categorie jongeren tot 23 jaar die 23 jaar wordt, geldt dat hij vanaf dat tijdstip tot 2 jaar daarna wordt ingedeeld in de categorie werkloze van 2 tot 3 jaar werkloos.
7. In afwijking van het zesde lid, wordt een jongere als bedoeld in dat lid die geïndiceerd is voor de
Wet sociale werkvoorzieningop het tijdstip waarop hij 23 wordt, ingedeeld in de categorie werkloze van meer dan 3 jaar.