BWBR0009205
Geldig vanaf 1997-12-24
Artikel 1
Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997 (Rva 1997)
1. Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:
2. Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder ‘rechtmatig verwijderbare vreemdeling’ een vreemdeling op wiens asielaanvraag in eerste aanleg in negatieve zin is beslist, tenzij:
a. de uitzetting van betrokkene ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 of een rechterlijke uitspraak achterwege dient te blijven, of
b. de betrokkene in afwachting is van een rechterlijke uitspraak op een binnen de vertrektermijn ingediend verzoek om voorlopige voorziening tegen de beslissing dat de behandeling van het beroepschrift niet in Nederland mag worden afgewacht, tenzij dit verzoek op grond van de Vreemdelingencirculaire 2000 niet hier te lande mag worden afgewacht.
In het geval, bedoeld onder b, is een vreemdeling rechtmatig verwijderbaar vier weken na de dag waarop op het verzoek om voorlopige voorziening is beslist.
3. Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder `gezinslid':
a. de partner of huwelijkspartner van de asielzoeker;
b. de ouders of stiefouders van de asielzoeker, indien deze jonger is dan 18 jaar en niet samenwoont met een partner of huwelijkspartner;
c. een stiefkind van de asielzoeker die jonger is dan 18 jaar en niet samenwoont met een partner of huwelijkspartner en die met de asielzoeker in gezinsverband leeft.
4. Voor de toepassing van deze regeling wordt onder ‘asielzoeker’ tevens verstaan een vreemdeling aan wie de toegang tot Nederland niet is geweigerd en die een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning als bedoeld in de artikelen 14 van de Vreemdelingenwet 2000 heeft ingediend onder een beperking verband houdend met gezinshereniging met een asielzoeker aan wie met toepassing van deze regeling verstrekkingen wordt geboden.
5. Voor de toepassing van deze regeling wordt onder ‘asielzoeker’ tevens verstaan de vreemdeling aan wie de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 is verleend en die, met inachtneming van artikel 9 van deze regeling, in de centrale opvang verblijft in afwachting van het betrekken van woonruimte in een gemeente.
6. Voor de toepassing van deze regeling wordt onder ‘asielzoeker’ tevens verstaan de vreemdeling die op grond van artikel 3, tweede lid, aanspraak maakt op opvang in een opvangcentrum.
7. In afwijking van het eerste lid, onder c, wordt onder ‘asielzoeker’ ook verstaan een alleenstaande minderjarige vreemdeling wiens aanvraag binnen 48 proces-uren wordt afgewezen.
2. Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder ‘rechtmatig verwijderbare vreemdeling’ een vreemdeling op wiens asielaanvraag in eerste aanleg in negatieve zin is beslist, tenzij:
a. de uitzetting van betrokkene ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 of een rechterlijke uitspraak achterwege dient te blijven, of
b. de betrokkene in afwachting is van een rechterlijke uitspraak op een binnen de vertrektermijn ingediend verzoek om voorlopige voorziening tegen de beslissing dat de behandeling van het beroepschrift niet in Nederland mag worden afgewacht, tenzij dit verzoek op grond van de Vreemdelingencirculaire 2000 niet hier te lande mag worden afgewacht.
In het geval, bedoeld onder b, is een vreemdeling rechtmatig verwijderbaar vier weken na de dag waarop op het verzoek om voorlopige voorziening is beslist.
3. Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder `gezinslid':
a. de partner of huwelijkspartner van de asielzoeker;
b. de ouders of stiefouders van de asielzoeker, indien deze jonger is dan 18 jaar en niet samenwoont met een partner of huwelijkspartner;
c. een stiefkind van de asielzoeker die jonger is dan 18 jaar en niet samenwoont met een partner of huwelijkspartner en die met de asielzoeker in gezinsverband leeft.
4. Voor de toepassing van deze regeling wordt onder ‘asielzoeker’ tevens verstaan een vreemdeling aan wie de toegang tot Nederland niet is geweigerd en die een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning als bedoeld in de artikelen 14 van de Vreemdelingenwet 2000 heeft ingediend onder een beperking verband houdend met gezinshereniging met een asielzoeker aan wie met toepassing van deze regeling verstrekkingen wordt geboden.
5. Voor de toepassing van deze regeling wordt onder ‘asielzoeker’ tevens verstaan de vreemdeling aan wie de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 is verleend en die, met inachtneming van artikel 9 van deze regeling, in de centrale opvang verblijft in afwachting van het betrekken van woonruimte in een gemeente.
6. Voor de toepassing van deze regeling wordt onder ‘asielzoeker’ tevens verstaan de vreemdeling die op grond van artikel 3, tweede lid, aanspraak maakt op opvang in een opvangcentrum.
7. In afwijking van het eerste lid, onder c, wordt onder ‘asielzoeker’ ook verstaan een alleenstaande minderjarige vreemdeling wiens aanvraag binnen 48 proces-uren wordt afgewezen.