BWBR0009166
Geldig vanaf 1997-12-31
Artikel 5
Waarborgregeling
1. De verplichting tot waarborging, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet, geldt niet voor:
a. werken, bestemd voor gebruik ten behoeve van medische, tandheelkundige of technische doeleinden;
b. pennen van vulpenhouders;
c. munten, tenzij deze zijn ingericht om als sieraad te worden gedragen;
d. tot een ingevoerde partij behorende werken, die bestemd zijn om weer te worden uitgevoerd, zolang deze niet in de handel worden gebracht;
e. voor 1 maart 1988 vervaardigde penningen;
f. voor 1 januari 1814 vervaardigde werken, mits daarop door een hier te lande bevoegd orgaan of bevoegde persoon een gehalteteken is afgeslagen, dat ten minste het op grond van artikel 1 van de wet voor het desbetreffende werk geldende laagste gehalte aanduidt;
g. uit een verdwenen beschaving afkomstige werken;
h. versierselen, die zijn of worden uitgereikt bij het verlenen van een bij de wet of bij koninklijk besluit ingestelde koninklijke onderscheiding.
2. Onder munten als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt verstaan:
a. voorwerpen, die in enig land als wettig betaalmiddel zijn of waren aangemerkt;
b. voorwerpen, die in enig land bij wet als munt, niet zijnde wettig betaalmiddel, zijn of waren aangemerkt en waarvan het gehalte, het gewicht en de beeldenaar bij wet zijn of waren geregeld, mits vervaardigd door de daartoe bevoegde instelling.
3. Onder penningen als bedoeld in het eerste lid, onder e, worden verstaan van afbeeldingen of opschriften voorziene schijfvormige voorwerpen, niet zijnde een munt, een draagteken of een gebruiksvoorwerp.
a. werken, bestemd voor gebruik ten behoeve van medische, tandheelkundige of technische doeleinden;
b. pennen van vulpenhouders;
c. munten, tenzij deze zijn ingericht om als sieraad te worden gedragen;
d. tot een ingevoerde partij behorende werken, die bestemd zijn om weer te worden uitgevoerd, zolang deze niet in de handel worden gebracht;
e. voor 1 maart 1988 vervaardigde penningen;
f. voor 1 januari 1814 vervaardigde werken, mits daarop door een hier te lande bevoegd orgaan of bevoegde persoon een gehalteteken is afgeslagen, dat ten minste het op grond van artikel 1 van de wet voor het desbetreffende werk geldende laagste gehalte aanduidt;
g. uit een verdwenen beschaving afkomstige werken;
h. versierselen, die zijn of worden uitgereikt bij het verlenen van een bij de wet of bij koninklijk besluit ingestelde koninklijke onderscheiding.
2. Onder munten als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt verstaan:
a. voorwerpen, die in enig land als wettig betaalmiddel zijn of waren aangemerkt;
b. voorwerpen, die in enig land bij wet als munt, niet zijnde wettig betaalmiddel, zijn of waren aangemerkt en waarvan het gehalte, het gewicht en de beeldenaar bij wet zijn of waren geregeld, mits vervaardigd door de daartoe bevoegde instelling.
3. Onder penningen als bedoeld in het eerste lid, onder e, worden verstaan van afbeeldingen of opschriften voorziene schijfvormige voorwerpen, niet zijnde een munt, een draagteken of een gebruiksvoorwerp.