BWBR0009142
Geldig vanaf 1997-12-30
Artikel 2
Besluit vervoer ontplofbare stoffen krijgsmacht
1. Het verrichten van handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet, met ontplofbare stoffen en voorwerpen is toegestaan, mits:
a. dit geschiedt in opdracht van een bevoegde Nederlandse militaire autoriteit dan wel van een bevoegde autoriteit van de krijgsmacht van een andere mogendheid, en
b. de bij of krachtens dit besluit of het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen gestelde regels in acht zijn genomen.
2. Het verrichten van handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet, met ontplofbare stoffen en voorwerpen is voorts toegestaan, voor zover het betreft:
a. handelingen door ambtenaren als bedoeld in de artikelen 34, tweede lid, en 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet, voor zover verricht in de uitoefening van hun bij of krachtens de wet opgedragen taak;
b. handelingen door personen die deel uitmaken van of werkzaam zijn bij de krijgsmacht en die in de uitoefening van hun beroep of functie uit hoofde daarvan bevoegd zijn tot het dragen van wapens, met ontplofbare stoffen, behorende tot de uitrusting van die personen;
c. handelingen door ambtenaren werkzaam bij de onder Onze Minister ressorterende opruimingsdiensten van explosieven ten behoeve van het ruimen van ontploffingsgevaarlijke stoffen.
3. De in het tweede lid bedoelde handelingen moeten met de vereiste behoedzaamheid geschieden op een wijze die in overeenstemming is met de gevaarzetting van de ontplofbare stoffen en voorwerpen.
a. dit geschiedt in opdracht van een bevoegde Nederlandse militaire autoriteit dan wel van een bevoegde autoriteit van de krijgsmacht van een andere mogendheid, en
b. de bij of krachtens dit besluit of het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen gestelde regels in acht zijn genomen.
2. Het verrichten van handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet, met ontplofbare stoffen en voorwerpen is voorts toegestaan, voor zover het betreft:
a. handelingen door ambtenaren als bedoeld in de artikelen 34, tweede lid, en 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet, voor zover verricht in de uitoefening van hun bij of krachtens de wet opgedragen taak;
b. handelingen door personen die deel uitmaken van of werkzaam zijn bij de krijgsmacht en die in de uitoefening van hun beroep of functie uit hoofde daarvan bevoegd zijn tot het dragen van wapens, met ontplofbare stoffen, behorende tot de uitrusting van die personen;
c. handelingen door ambtenaren werkzaam bij de onder Onze Minister ressorterende opruimingsdiensten van explosieven ten behoeve van het ruimen van ontploffingsgevaarlijke stoffen.
3. De in het tweede lid bedoelde handelingen moeten met de vereiste behoedzaamheid geschieden op een wijze die in overeenstemming is met de gevaarzetting van de ontplofbare stoffen en voorwerpen.