1. Op ieder meetwerktuig voor oppervlaktemeting moet, hetzij direct, hetzij op een plaat die vast met het meetwerktuig is verbonden, zijn vermeld:
a. de naam en de woonplaats van degene die het meetwerktuig heeft vervaardigd of diens fabrieksmerk;
b. het jaar waarin het meetwerktuig is vervaardigd en het fabrieksnummer;
c. het nummer van de betrokken verklaring van toelating;
d. elke andere aanduiding, welke in verband met de samenstelling of de werking van het meetwerktuig door de ijkinstelling noodzakelijk wordt geacht, als aangegeven in de verklaring van toelating.
2. Het eerste lid, onder a en b, is niet van toepassing op de meetwerktuigen, bedoeld in
artikel 31 van de wet.