BWBR0009076
Geldig vanaf 1997-12-13
Artikel 16
Regeling deugdelijkheid en weggedrag
1. Stabiel weggedrag van een motorfiets kan worden aangetoond door middel van een beproeving waaruit blijkt dat de motorfiets stabiel en hanteerbaar blijft. Indien het een motorfiets met zijspan betreft mag hierbij geen enkel wiel vrijkomen van het wegdek.
2. De beproeving, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats door:
a. met de motorfiets met een snelheid van 25 km/h in een cirkelbaan met een straal van 12,50 m te rijden, zonder dat enig star deel van de motorfiets het wegdek raakt. De proef wordt zowel links- als rechtsom uitgevoerd;
b. met de motorfiets met snelheden tussen de 40 km/h en 80 km/h langs een rechte lijn te rijden. Indien het een motorfiets met zijspan betreft wordt in het zijspan een belasting van 75 kg per zitplaats aangebracht en wordt maximaal geaccelereerd. De voor stuurcorrecties benodigde ruimte mag niet meer bedragen dan de breedte van het laatste deel van het traject zoals omschreven onder punt 5.1 van ISO/TR 3888-1975.
c. met de motorfiets een achtvormige figuur met een breedte van 12,00 m en een lengte van 24,00 m te rijden met een snelheid tussen 5 km/h en 10 km/h;
d. het met de motorfiets maximaal afremmen van: 1° het voorwiel en het achterwiel afzonderlijk vanaf een snelheid van 40 km/h, en
2° het voor- en achterwiel tezamen vanaf een snelheid van 60 km/h.
1° het voorwiel en het achterwiel afzonderlijk vanaf een snelheid van 40 km/h, en
2° het voor- en achterwiel tezamen vanaf een snelheid van 60 km/h.
2. De beproeving, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats door:
a. met de motorfiets met een snelheid van 25 km/h in een cirkelbaan met een straal van 12,50 m te rijden, zonder dat enig star deel van de motorfiets het wegdek raakt. De proef wordt zowel links- als rechtsom uitgevoerd;
b. met de motorfiets met snelheden tussen de 40 km/h en 80 km/h langs een rechte lijn te rijden. Indien het een motorfiets met zijspan betreft wordt in het zijspan een belasting van 75 kg per zitplaats aangebracht en wordt maximaal geaccelereerd. De voor stuurcorrecties benodigde ruimte mag niet meer bedragen dan de breedte van het laatste deel van het traject zoals omschreven onder punt 5.1 van ISO/TR 3888-1975.
c. met de motorfiets een achtvormige figuur met een breedte van 12,00 m en een lengte van 24,00 m te rijden met een snelheid tussen 5 km/h en 10 km/h;
d. het met de motorfiets maximaal afremmen van: 1° het voorwiel en het achterwiel afzonderlijk vanaf een snelheid van 40 km/h, en
2° het voor- en achterwiel tezamen vanaf een snelheid van 60 km/h.
1° het voorwiel en het achterwiel afzonderlijk vanaf een snelheid van 40 km/h, en
2° het voor- en achterwiel tezamen vanaf een snelheid van 60 km/h.