BWBR0009056
Geldig vanaf 1998-01-01
Artikel 11
Besluit subsidies exportfinancieringsarrangementen
Onze Minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag:
a. indien de aanvraag niet voldoet aan dit besluit en de daarop berustende bepalingen;
b. indien subsidieverlening in strijd zou zijn met de OESO-consensus;
c. indien een op grond van de OESO-consensus verrichte notificatie tot een voor de aanvrager negatief resultaat heeft geleid;
d. indien de afnemer gevestigd is in een van de lid-staten van de Europese Unie of in een van de andere staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, tenzij: 1°. de aanvrager uitsluitend buitenlandse concurrenten heeft die buiten het gebied van de lid-staten van de Europese Unie of van andere staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte gevestigd zijn, of
2°. de aanvraag betrekking heeft op een zeescheepsbouworder of een defensieorder tenzij Onze Minister bij ministeriële regeling anders heeft bepaald, of
3°. de order betrekking heeft op het als toeleverancier of onderaannemer produceren van goederen of verrichten van diensten ten behoeve van het uitvoeren van een order waarvan de afnemer niet is gevestigd in een van de lid-staten van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en de subsidie ter zake van de door de aanvrager af te sluiten order geheel zal worden gebruikt bij de financiering van de order waarvan deze deel uitmaakt;
e. gegronde vrees bestaat dat de aanvrager met het oog op de verkrijging van de subsidie dan wel bij het uitvoeren van de order omkoping in de zin van de artikelen 177 en 177a, juncto 178a van het Wetboek van Strafrecht heeft gepleegd, respectievelijk zal plegen.
1°. de aanvrager uitsluitend buitenlandse concurrenten heeft die buiten het gebied van de lid-staten van de Europese Unie of van andere staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte gevestigd zijn, of
2°. de aanvraag betrekking heeft op een zeescheepsbouworder of een defensieorder tenzij Onze Minister bij ministeriële regeling anders heeft bepaald, of
3°. de order betrekking heeft op het als toeleverancier of onderaannemer produceren van goederen of verrichten van diensten ten behoeve van het uitvoeren van een order waarvan de afnemer niet is gevestigd in een van de lid-staten van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en de subsidie ter zake van de door de aanvrager af te sluiten order geheel zal worden gebruikt bij de financiering van de order waarvan deze deel uitmaakt;
e. gegronde vrees bestaat dat de aanvrager met het oog op de verkrijging van de subsidie dan wel bij het uitvoeren van de order omkoping in de zin van de artikelen 177 en 177a, juncto 178a van het Wetboek van Strafrecht heeft gepleegd, respectievelijk zal plegen.
a. indien de aanvraag niet voldoet aan dit besluit en de daarop berustende bepalingen;
b. indien subsidieverlening in strijd zou zijn met de OESO-consensus;
c. indien een op grond van de OESO-consensus verrichte notificatie tot een voor de aanvrager negatief resultaat heeft geleid;
d. indien de afnemer gevestigd is in een van de lid-staten van de Europese Unie of in een van de andere staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, tenzij: 1°. de aanvrager uitsluitend buitenlandse concurrenten heeft die buiten het gebied van de lid-staten van de Europese Unie of van andere staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte gevestigd zijn, of
2°. de aanvraag betrekking heeft op een zeescheepsbouworder of een defensieorder tenzij Onze Minister bij ministeriële regeling anders heeft bepaald, of
3°. de order betrekking heeft op het als toeleverancier of onderaannemer produceren van goederen of verrichten van diensten ten behoeve van het uitvoeren van een order waarvan de afnemer niet is gevestigd in een van de lid-staten van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en de subsidie ter zake van de door de aanvrager af te sluiten order geheel zal worden gebruikt bij de financiering van de order waarvan deze deel uitmaakt;
e. gegronde vrees bestaat dat de aanvrager met het oog op de verkrijging van de subsidie dan wel bij het uitvoeren van de order omkoping in de zin van de artikelen 177 en 177a, juncto 178a van het Wetboek van Strafrecht heeft gepleegd, respectievelijk zal plegen.
1°. de aanvrager uitsluitend buitenlandse concurrenten heeft die buiten het gebied van de lid-staten van de Europese Unie of van andere staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte gevestigd zijn, of
2°. de aanvraag betrekking heeft op een zeescheepsbouworder of een defensieorder tenzij Onze Minister bij ministeriële regeling anders heeft bepaald, of
3°. de order betrekking heeft op het als toeleverancier of onderaannemer produceren van goederen of verrichten van diensten ten behoeve van het uitvoeren van een order waarvan de afnemer niet is gevestigd in een van de lid-staten van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en de subsidie ter zake van de door de aanvrager af te sluiten order geheel zal worden gebruikt bij de financiering van de order waarvan deze deel uitmaakt;
e. gegronde vrees bestaat dat de aanvrager met het oog op de verkrijging van de subsidie dan wel bij het uitvoeren van de order omkoping in de zin van de artikelen 177 en 177a, juncto 178a van het Wetboek van Strafrecht heeft gepleegd, respectievelijk zal plegen.