BWBR0009013
Geldig vanaf 1997-12-06
Artikel 4
Regeling EG-verklaring stedenbouwkundigen, tuin- en landschapsarchitecten en interieurarchitecten
1. De bevoegde autoriteit deelt de aanvrager met betrekking tot de aanpassingsstage mee:
a. om welk vakgebied of om welke vakgebieden het gaat;
b. hoe lang de aanpassingsstage in het geval van de aanvrager duurt; en
c. welke kosten voor rekening van de aanvrager komen.
2. De aanvrager stelt in overleg met de beoefenaar van het betrokken beroep onder wiens verantwoordelijkheid hij overeenkomstig artikel 10, tweede lid, van de weteen aanpassingsstage zal gaan volgen, een stageplan op, waarin de aard en omvang van de door de aanvrager te verrichten werkzaamheden worden omschreven.
3. De aanvrager legt het voorstel inzake de stageplaats en het stageplan ter goedkeuring voor aan de bevoegde autoriteit.
4. Na afloop van de stage stelt de aanvrager een stageverslag op en legt dit tezamen met een overzicht van de verrichte werkzaamheden over aan de bevoegde autoriteit.
5. Na ontvangst van de stukken, bedoeld in het vierde lid, beoordeelt de bevoegde autoriteit of de aanvrager het vakgebied of de vakgebieden, bedoeld in het eerste lid, onder a, in voldoende mate beheerst.
a. om welk vakgebied of om welke vakgebieden het gaat;
b. hoe lang de aanpassingsstage in het geval van de aanvrager duurt; en
c. welke kosten voor rekening van de aanvrager komen.
2. De aanvrager stelt in overleg met de beoefenaar van het betrokken beroep onder wiens verantwoordelijkheid hij overeenkomstig artikel 10, tweede lid, van de weteen aanpassingsstage zal gaan volgen, een stageplan op, waarin de aard en omvang van de door de aanvrager te verrichten werkzaamheden worden omschreven.
3. De aanvrager legt het voorstel inzake de stageplaats en het stageplan ter goedkeuring voor aan de bevoegde autoriteit.
4. Na afloop van de stage stelt de aanvrager een stageverslag op en legt dit tezamen met een overzicht van de verrichte werkzaamheden over aan de bevoegde autoriteit.
5. Na ontvangst van de stukken, bedoeld in het vierde lid, beoordeelt de bevoegde autoriteit of de aanvrager het vakgebied of de vakgebieden, bedoeld in het eerste lid, onder a, in voldoende mate beheerst.