BWBR0008725
Geldig vanaf 1997-08-01
Artikel 4
Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten
1. Voor 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het eerste jaar van de periode waarvoor subsidie wordt gevraagd, dienen de instellingen een aanvraag in tot verlening van subsidie.
2. De aanvraag gaat vergezeld van een beleidsplan en een begroting van de geraamde inkomsten en uitgaven, voor zover die betrekking hebben op de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd.
3. Het beleidsplan bevat ten minste:
a. een uitwerking van de voorgenomen activiteiten voor het uitvoeren van de hoofdlijnenbrief, bedoeld in het vierde lid, waarbij per activiteit de daarvoor benodigde personele en materiële middelen worden vermeld,
b. een globale beschrijving van de andere onderwijsondersteunende activiteiten,
c. de wijze waarop de instelling haar activiteiten voor een doelmatige en doeltreffende werkwijze en taakverdeling afstemt op de activiteiten van de andere instellingen, en
d. de wijze waarop de instelling haar activiteiten evalueert.
4. Onze Minister maakt jaarlijks voor 1 april een hoofdlijnenbrief bekend voor een meerjarenperspectief op het terrein van landelijke onderwijsondersteunende activiteiten. De hoofdlijnenbrief heeft betrekking op de twee kalenderjaren die volgen op het jaar waarin de bekendmaking plaats vindt.
5. Indien de aanvraag niet voldoet aan de voorafgaande leden of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, kan Onze Minister besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad, binnen een bij algemene maatregel van bestuur gestelde termijn, of voor de gevallen waarin bij algemene maatregel van bestuur niet wordt voorzien, binnen een door Onze Minister gestelde termijn, de aanvraag aan te vullen.
2. De aanvraag gaat vergezeld van een beleidsplan en een begroting van de geraamde inkomsten en uitgaven, voor zover die betrekking hebben op de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd.
3. Het beleidsplan bevat ten minste:
a. een uitwerking van de voorgenomen activiteiten voor het uitvoeren van de hoofdlijnenbrief, bedoeld in het vierde lid, waarbij per activiteit de daarvoor benodigde personele en materiële middelen worden vermeld,
b. een globale beschrijving van de andere onderwijsondersteunende activiteiten,
c. de wijze waarop de instelling haar activiteiten voor een doelmatige en doeltreffende werkwijze en taakverdeling afstemt op de activiteiten van de andere instellingen, en
d. de wijze waarop de instelling haar activiteiten evalueert.
4. Onze Minister maakt jaarlijks voor 1 april een hoofdlijnenbrief bekend voor een meerjarenperspectief op het terrein van landelijke onderwijsondersteunende activiteiten. De hoofdlijnenbrief heeft betrekking op de twee kalenderjaren die volgen op het jaar waarin de bekendmaking plaats vindt.
5. Indien de aanvraag niet voldoet aan de voorafgaande leden of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, kan Onze Minister besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad, binnen een bij algemene maatregel van bestuur gestelde termijn, of voor de gevallen waarin bij algemene maatregel van bestuur niet wordt voorzien, binnen een door Onze Minister gestelde termijn, de aanvraag aan te vullen.