1. Van het verbod, bedoeld in
artikel 66 van de wet, wordt vrijstelling verleend aan degene die op het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel, de in het eerste lid, onderdelen a of b, van dat artikel bedoelde handelingen verricht, voor zover hij daarvoor binnen acht weken na de inwerkingtreding een vergunning heeft aangevraagd overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens
artikel 67 van de wet.
2. De vrijstelling wordt niet verleend indien:
a. de minister besluit de aanvraag niet te behandelen of
b. de aanvrager zijn aanvraag intrekt.