BWBR0008546
Geldig vanaf 1997-02-18
Artikel 2
Regeling Communautair Initiatief ADAPT-II
1. Een natuurlijk of rechtspersoon die een transnationaal project uitvoert of doet uitvoeren dat past binnen het communautair initiatief Adapt kan, overeenkomstig de navolgende artikelen, in aanmerking komen voor subsidie, afkomstig uit het Europees Sociaal Fonds.
2. Voor subsidie komen in aanmerking:
a1 projecten ter ondersteuning van ondernemingen bij de identificatie van veranderingen in de bedrijfsomgeving en het opstellen van daarop afgestemde bedrijfsplannen, met aandacht voor opleiding;
a2 projecten waarbij door ondernemingen gezamenlijk opleidingsplannen worden ontwikkeld en uitgevoerd;
a3 projecten, gericht op de ontwikkeling en beschikbaarstelling van beroepskeuze-, voorlichtings- en adviessystemen ten behoeve van aanpassing van werknemers aan technologische en organisatorische veranderingen;
a4 projecten, gericht op het opzetten en uitvoeren van programma’s voor voortdurende opleiding van werknemers;
a5 opleidingsprojecten ten behoeve van ondernemers en middel- en hoger management;
b1 projecten ter stimulering van samenwerking bij de aanpassing van ondernemingen aan arbeidsmarkttrends, wijzigingen in kwalificatievereisten, en andere voor het functioneren van ondernemingen van belang zijnde ontwikkelingen;
b2 projecten ter stimulering van samenwerking en opleiding op nieuwe terreinen van economische activiteit, met het oog op nieuwe kansen op werk;
b3 lokale werkgelegenheidsinitiatieven, daaronder begrepen steun bij het opzetten van kleine ondernemingen, gericht op het creëren van nieuwe banen voor werknemers, werkzaam in ondernemingen als bedoeld in het derde lid onder a, van wie de huidige functies vervallen, dan wel recent zijn komen te vervallen;
c1 projecten, gericht op verbetering van de samenwerking tussen onderzoeksinstellingen, kenniscentra, opleidingsinstellingen en ondernemingen;
c2 opleiding en training van personeel dat binnen de onderneming is belast met de overdracht van kennis en vaardigheden;
c3 projecten, gericht op bevordering van de interregionale en transnationale samenwerking van ondernemingen op het gebied van scholing, onderzoek en marketing;
d1 —;
d2 projecten ter bevordering van de verspreiding van de zgn. good practices;
d3 studies met betrekking tot de gewijzigde omstandigheden in het bedrijfsleven en de gevolgen daarvan voor werkgelegenheid en de vereiste kwalificaties van het personeel.
3. De in het tweede lid omschreven projecten komen slechts voor subsidie in aanmerking:
a. voor zover zij zich richten op ondernemingen waarin minder dan 250 werknemers werkzaam zijn, en de personen die in die ondernemingen werkzaam zijn dan wel tot voor kort werkzaam waren, en
b. indien zij in Nederland worden uitgevoerd, en deel zullen uitmaken van een transnationaal samenwerkingsverband, als bedoeld in artikel 1.
4. Voor de toepassing van het derde lid onder a wordt elk als juridisch zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband als onderneming beschouwd.
2. Voor subsidie komen in aanmerking:
a1 projecten ter ondersteuning van ondernemingen bij de identificatie van veranderingen in de bedrijfsomgeving en het opstellen van daarop afgestemde bedrijfsplannen, met aandacht voor opleiding;
a2 projecten waarbij door ondernemingen gezamenlijk opleidingsplannen worden ontwikkeld en uitgevoerd;
a3 projecten, gericht op de ontwikkeling en beschikbaarstelling van beroepskeuze-, voorlichtings- en adviessystemen ten behoeve van aanpassing van werknemers aan technologische en organisatorische veranderingen;
a4 projecten, gericht op het opzetten en uitvoeren van programma’s voor voortdurende opleiding van werknemers;
a5 opleidingsprojecten ten behoeve van ondernemers en middel- en hoger management;
b1 projecten ter stimulering van samenwerking bij de aanpassing van ondernemingen aan arbeidsmarkttrends, wijzigingen in kwalificatievereisten, en andere voor het functioneren van ondernemingen van belang zijnde ontwikkelingen;
b2 projecten ter stimulering van samenwerking en opleiding op nieuwe terreinen van economische activiteit, met het oog op nieuwe kansen op werk;
b3 lokale werkgelegenheidsinitiatieven, daaronder begrepen steun bij het opzetten van kleine ondernemingen, gericht op het creëren van nieuwe banen voor werknemers, werkzaam in ondernemingen als bedoeld in het derde lid onder a, van wie de huidige functies vervallen, dan wel recent zijn komen te vervallen;
c1 projecten, gericht op verbetering van de samenwerking tussen onderzoeksinstellingen, kenniscentra, opleidingsinstellingen en ondernemingen;
c2 opleiding en training van personeel dat binnen de onderneming is belast met de overdracht van kennis en vaardigheden;
c3 projecten, gericht op bevordering van de interregionale en transnationale samenwerking van ondernemingen op het gebied van scholing, onderzoek en marketing;
d1 —;
d2 projecten ter bevordering van de verspreiding van de zgn. good practices;
d3 studies met betrekking tot de gewijzigde omstandigheden in het bedrijfsleven en de gevolgen daarvan voor werkgelegenheid en de vereiste kwalificaties van het personeel.
3. De in het tweede lid omschreven projecten komen slechts voor subsidie in aanmerking:
a. voor zover zij zich richten op ondernemingen waarin minder dan 250 werknemers werkzaam zijn, en de personen die in die ondernemingen werkzaam zijn dan wel tot voor kort werkzaam waren, en
b. indien zij in Nederland worden uitgevoerd, en deel zullen uitmaken van een transnationaal samenwerkingsverband, als bedoeld in artikel 1.
4. Voor de toepassing van het derde lid onder a wordt elk als juridisch zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband als onderneming beschouwd.