BWBR0008473
Geldig vanaf 1997-01-01
Artikel 3
Regeling wapens en munitie krijgsmachtpersoneel 1997
1. Aan de vergunning bedoeld in artikel 2, derde, vierde, vijfde, zevende en achtste lid, kunnen voorschriften worden verbonden met betrekking tot:
a. het eventuele gebruik; en
b. de opslag en het eventuele vervoer van het wapen of de munitie.
2. De plaatsvervangend commandant defensie ondersteuningscommando is namens de Minister van Defensie bevoegd tot het verstrekken van de vergunning, bedoeld in artikel 2, derde lid, ten aanzien van het personeel behorende tot de categorie van personen, genoemd in artikel 1, onder b, alsmede tot het verlenen van de opdracht, bedoeld in artikel 2, zesde lid.
3. Bevoegd tot het namens de Minister verstrekken van de vergunning, bedoeld in artikel 2, vierde lid, is:
a. het hoofd maritieme techniek, het hoofd maritieme logistiek en het hoofd maritieme ondersteuning van de directie materiële instandhouding van het commando zeestrijdkrachten alsmede de commandant van het defensie munitie bedrijf van het commando Materieel en IT ten aanzien van het in artikel 1, onder c, bedoelde personeel voor zover dat personeel onder hen ressorteert en de in artikel 2, vierde lid, bedoelde handelingen op defensieterrein verricht;
b. de commandant Materieel en IT ten aanzien van de overige in artikel 1, onder c, bedoelde gevallen.
4. De functionaris, bedoeld in het tweede en derde lid, kan de bevoegdheid, bedoeld in respectievelijk het tweede en derde lid, geheel of gedeeltelijk schriftelijk doormandateren aan een onder hem ressorterende functionaris.
5. Bevoegd tot het namens de Minister van Defensie verstrekken van de vergunning, bedoeld in artikel 2, vijfde lid, is de commandant zeestrijdkrachten, de commandant landstrijdkrachten, de commandant luchtstrijdkrachten, de commandant Koninklijke marechaussee, de commandant materieel en IT of de commandant defensie ondersteuningscommando ten aanzien van het onder hen ressorterende personeel. De functionarissen, bedoeld in de vorige volzin, kunnen de bevoegdheid tot het verstrekken van de vergunning geheel of gedeeltelijk schriftelijk doormandateren aan een onder hem ressorterende functionaris.
6. Bevoegd tot het namens de Minister van Defensie verstrekken van de vergunning, bedoeld in artikel 2, zevende lid, is de commandant zeestrijdkrachten, de commandant landstrijdkrachten, de commandant luchtstrijdkrachten, de commandant Koninklijke marechaussee, de commandant materieel en IT of de commandant defensie ondersteuningscommando ten aanzien van het ten behoeve van hun defensieonderdeel ingehuurde personeel. De functionarissen, bedoeld in de vorige volzin, kunnen de bevoegdheid tot het verstrekken van de vergunning geheel of gedeeltelijk schriftelijk doormandateren aan een onder hem ressorterende functionaris.
7. Bevoegd tot het namens de Minister van Defensie verstrekken van de vergunning, bedoeld in artikel 2, achtste lid, is de commandant zeestrijdkrachten, de commandant landstrijdkrachten, de commandant luchtstrijdkrachten of de commandant Koninklijke marechaussee ten aanzien van het onder hen ressorterende personeel.
a. het eventuele gebruik; en
b. de opslag en het eventuele vervoer van het wapen of de munitie.
2. De plaatsvervangend commandant defensie ondersteuningscommando is namens de Minister van Defensie bevoegd tot het verstrekken van de vergunning, bedoeld in artikel 2, derde lid, ten aanzien van het personeel behorende tot de categorie van personen, genoemd in artikel 1, onder b, alsmede tot het verlenen van de opdracht, bedoeld in artikel 2, zesde lid.
3. Bevoegd tot het namens de Minister verstrekken van de vergunning, bedoeld in artikel 2, vierde lid, is:
a. het hoofd maritieme techniek, het hoofd maritieme logistiek en het hoofd maritieme ondersteuning van de directie materiële instandhouding van het commando zeestrijdkrachten alsmede de commandant van het defensie munitie bedrijf van het commando Materieel en IT ten aanzien van het in artikel 1, onder c, bedoelde personeel voor zover dat personeel onder hen ressorteert en de in artikel 2, vierde lid, bedoelde handelingen op defensieterrein verricht;
b. de commandant Materieel en IT ten aanzien van de overige in artikel 1, onder c, bedoelde gevallen.
4. De functionaris, bedoeld in het tweede en derde lid, kan de bevoegdheid, bedoeld in respectievelijk het tweede en derde lid, geheel of gedeeltelijk schriftelijk doormandateren aan een onder hem ressorterende functionaris.
5. Bevoegd tot het namens de Minister van Defensie verstrekken van de vergunning, bedoeld in artikel 2, vijfde lid, is de commandant zeestrijdkrachten, de commandant landstrijdkrachten, de commandant luchtstrijdkrachten, de commandant Koninklijke marechaussee, de commandant materieel en IT of de commandant defensie ondersteuningscommando ten aanzien van het onder hen ressorterende personeel. De functionarissen, bedoeld in de vorige volzin, kunnen de bevoegdheid tot het verstrekken van de vergunning geheel of gedeeltelijk schriftelijk doormandateren aan een onder hem ressorterende functionaris.
6. Bevoegd tot het namens de Minister van Defensie verstrekken van de vergunning, bedoeld in artikel 2, zevende lid, is de commandant zeestrijdkrachten, de commandant landstrijdkrachten, de commandant luchtstrijdkrachten, de commandant Koninklijke marechaussee, de commandant materieel en IT of de commandant defensie ondersteuningscommando ten aanzien van het ten behoeve van hun defensieonderdeel ingehuurde personeel. De functionarissen, bedoeld in de vorige volzin, kunnen de bevoegdheid tot het verstrekken van de vergunning geheel of gedeeltelijk schriftelijk doormandateren aan een onder hem ressorterende functionaris.
7. Bevoegd tot het namens de Minister van Defensie verstrekken van de vergunning, bedoeld in artikel 2, achtste lid, is de commandant zeestrijdkrachten, de commandant landstrijdkrachten, de commandant luchtstrijdkrachten of de commandant Koninklijke marechaussee ten aanzien van het onder hen ressorterende personeel.