BWBR0008403
Geldig vanaf 1996-12-21
Artikel 9
Regeling stimulering grensoverschrijdende samenwerking hoger onderwijs 1997-2000
Voor toewijzing van subsidie voor het samenwerkingsprogramma gelden in ieder geval de volgende voorwaarden:
1. Het programmavoorstel dient vergezeld te gaan van duidelijk bepaalde doelstellingen, die consistent zijn met de doelstellingen van het samenwerkingsprogramma en de verwachte resultaten op middellange termijn, en herbergt in zich een goede kans om deze doelstellingen binnen een redelijke termijn te bereiken.
2. Er dient bestuurlijke en onderwijskundige samenwerking te worden nagestreefd op terreinen die in grote mate complementair zijn aan bestaande (EU-)programma's voor internationalisering. Er wordt bij voorkeur voortgebouwd op reeds bestaande contacten tussen instellingen. Er worden nieuwe samenwerkingsrelaties aangegaan met de bedoeling een duurzame relatie op te bouwen. De comparatieve voordelen van grenslandensamenwerking worden optimaal benut, waarbij de geografische afstand tussen de samenwerkende instellingen voor de Nederlandse overheid een belangrijk criterium is. Het programma is van substantiële omvang, onder meer blijkend uit de meerjarige programmaduur en leidt tot structurele bestuurlijke en onderwijskundige samenwerking. Aanvragen voor ondersteuning van onderwijs aan aio's, oio's en andere (beurs)promovendi worden uitsluitend in behandeling genomen indien zij onderdeel uitmaken van genoemd programma van substantiële omvang, en bij voorkeur ook open staan voor studenten uit de laatste jaren van de initiële fase.
3. Het programmavoorstel geeft bij de voorgestelde activiteiten aan wat de meerwaarde hiervan is voor de eigen instelling en de regio en hoe hiervan een uitstraling kan uitgaan naar andere maatschappelijke sectoren in de grensregio.
4. Het programmavoorstel betreft ten minste de samenwerking met een instelling aan de andere zijde van de grens, waarmee een nieuwe, bestuurlijke samenwerkingsovereenkomst wordt gesloten of is gesloten, waarbij het college van bestuur van de Nederlandse instelling aanspreekpunt is voor de minister, onder meer blijkend uit voorgelegde bewijsstukken van institutionele steun van de deelnemende instellingen. Ook dienen bewijsstukken te worden overgelegd, waaruit blijkt dat het projectvoorstel ten minste gesteund wordt vanuit de overheid van de buitenlandse partnerinstelling.
5. De activiteiten die in het kader van de samenwerking worden voorgesteld blijven binnen de nationale wet- en regelgeving, waarbij overigens wel kan worden aangegeven welke eventuele wettelijke hindernissen er zijn, en mogelijke oplossingsrichtingen kunnen worden aangedragen.
6. Het programmavoorstel bezit innoverend potentieel voor leerplanontwikkeling, verspreiding van informatie en productie van leermaterialen of de bijscholing van docenten, waardoor er vanuit het samenwerkingsprogramma een zodanige stimulerende werking uitgaat dat meerdere samenwerkingsprogramma's kunnen ontstaan.
7. Het programmavoorstel dient gebaseerd te zijn op een heldere planning en te beschikken over een degelijke organisatiestructuur, waarbij van belang is dat: a. sprake is van co-financiering vanuit de participerende Nederlandse en buitenlandse instelling(en);
b. de meerkosten van het opstarten of intensiveren, daarin begrepen de aanloopkosten van de samenwerking expliciet worden gemaakt;
c. slechts in zeer bescheiden mate infrastructurele investeringen worden ondersteund, en dan alleen die op het gebied van informatie- en communicatietechnologie;
d. alleen het creëren van een organisatorisch kader waarbinnen mobiliteit van studenten en docenten kan plaatsvinden, wordt ondersteund, tenzij het gaat om het op gang brengen van de mobiliteit, waarvoor een bescheiden ondersteuning wordt geboden;
e. sprake is van een onderbouwde planning en begroting, zowel betreffende vereiste menselijke en als financiële middelen, waarbij een uitsplitsing wordt gemaakt naar de financieringsbronnen van het gehele programma, inclusief de bijdrage van de buitenlandse partner en overheid;
f. sprake is van een centrale programma-administratie voor het hele samenwerkingsprogramma, op zodanige wijze dat nagegaan kan worden welke samenwerkingsactiviteiten er gefinancierd zijn;
g. sprake is van organisatorische samenhang tussen de uitvoerende faculteiten binnen de instelling en gelijkgerichtheid in de aanpak en de programma-administratie.
a. sprake is van co-financiering vanuit de participerende Nederlandse en buitenlandse instelling(en);
b. de meerkosten van het opstarten of intensiveren, daarin begrepen de aanloopkosten van de samenwerking expliciet worden gemaakt;
c. slechts in zeer bescheiden mate infrastructurele investeringen worden ondersteund, en dan alleen die op het gebied van informatie- en communicatietechnologie;
d. alleen het creëren van een organisatorisch kader waarbinnen mobiliteit van studenten en docenten kan plaatsvinden, wordt ondersteund, tenzij het gaat om het op gang brengen van de mobiliteit, waarvoor een bescheiden ondersteuning wordt geboden;
e. sprake is van een onderbouwde planning en begroting, zowel betreffende vereiste menselijke en als financiële middelen, waarbij een uitsplitsing wordt gemaakt naar de financieringsbronnen van het gehele programma, inclusief de bijdrage van de buitenlandse partner en overheid;
f. sprake is van een centrale programma-administratie voor het hele samenwerkingsprogramma, op zodanige wijze dat nagegaan kan worden welke samenwerkingsactiviteiten er gefinancierd zijn;
g. sprake is van organisatorische samenhang tussen de uitvoerende faculteiten binnen de instelling en gelijkgerichtheid in de aanpak en de programma-administratie.
1. Het programmavoorstel dient vergezeld te gaan van duidelijk bepaalde doelstellingen, die consistent zijn met de doelstellingen van het samenwerkingsprogramma en de verwachte resultaten op middellange termijn, en herbergt in zich een goede kans om deze doelstellingen binnen een redelijke termijn te bereiken.
2. Er dient bestuurlijke en onderwijskundige samenwerking te worden nagestreefd op terreinen die in grote mate complementair zijn aan bestaande (EU-)programma's voor internationalisering. Er wordt bij voorkeur voortgebouwd op reeds bestaande contacten tussen instellingen. Er worden nieuwe samenwerkingsrelaties aangegaan met de bedoeling een duurzame relatie op te bouwen. De comparatieve voordelen van grenslandensamenwerking worden optimaal benut, waarbij de geografische afstand tussen de samenwerkende instellingen voor de Nederlandse overheid een belangrijk criterium is. Het programma is van substantiële omvang, onder meer blijkend uit de meerjarige programmaduur en leidt tot structurele bestuurlijke en onderwijskundige samenwerking. Aanvragen voor ondersteuning van onderwijs aan aio's, oio's en andere (beurs)promovendi worden uitsluitend in behandeling genomen indien zij onderdeel uitmaken van genoemd programma van substantiële omvang, en bij voorkeur ook open staan voor studenten uit de laatste jaren van de initiële fase.
3. Het programmavoorstel geeft bij de voorgestelde activiteiten aan wat de meerwaarde hiervan is voor de eigen instelling en de regio en hoe hiervan een uitstraling kan uitgaan naar andere maatschappelijke sectoren in de grensregio.
4. Het programmavoorstel betreft ten minste de samenwerking met een instelling aan de andere zijde van de grens, waarmee een nieuwe, bestuurlijke samenwerkingsovereenkomst wordt gesloten of is gesloten, waarbij het college van bestuur van de Nederlandse instelling aanspreekpunt is voor de minister, onder meer blijkend uit voorgelegde bewijsstukken van institutionele steun van de deelnemende instellingen. Ook dienen bewijsstukken te worden overgelegd, waaruit blijkt dat het projectvoorstel ten minste gesteund wordt vanuit de overheid van de buitenlandse partnerinstelling.
5. De activiteiten die in het kader van de samenwerking worden voorgesteld blijven binnen de nationale wet- en regelgeving, waarbij overigens wel kan worden aangegeven welke eventuele wettelijke hindernissen er zijn, en mogelijke oplossingsrichtingen kunnen worden aangedragen.
6. Het programmavoorstel bezit innoverend potentieel voor leerplanontwikkeling, verspreiding van informatie en productie van leermaterialen of de bijscholing van docenten, waardoor er vanuit het samenwerkingsprogramma een zodanige stimulerende werking uitgaat dat meerdere samenwerkingsprogramma's kunnen ontstaan.
7. Het programmavoorstel dient gebaseerd te zijn op een heldere planning en te beschikken over een degelijke organisatiestructuur, waarbij van belang is dat: a. sprake is van co-financiering vanuit de participerende Nederlandse en buitenlandse instelling(en);
b. de meerkosten van het opstarten of intensiveren, daarin begrepen de aanloopkosten van de samenwerking expliciet worden gemaakt;
c. slechts in zeer bescheiden mate infrastructurele investeringen worden ondersteund, en dan alleen die op het gebied van informatie- en communicatietechnologie;
d. alleen het creëren van een organisatorisch kader waarbinnen mobiliteit van studenten en docenten kan plaatsvinden, wordt ondersteund, tenzij het gaat om het op gang brengen van de mobiliteit, waarvoor een bescheiden ondersteuning wordt geboden;
e. sprake is van een onderbouwde planning en begroting, zowel betreffende vereiste menselijke en als financiële middelen, waarbij een uitsplitsing wordt gemaakt naar de financieringsbronnen van het gehele programma, inclusief de bijdrage van de buitenlandse partner en overheid;
f. sprake is van een centrale programma-administratie voor het hele samenwerkingsprogramma, op zodanige wijze dat nagegaan kan worden welke samenwerkingsactiviteiten er gefinancierd zijn;
g. sprake is van organisatorische samenhang tussen de uitvoerende faculteiten binnen de instelling en gelijkgerichtheid in de aanpak en de programma-administratie.
a. sprake is van co-financiering vanuit de participerende Nederlandse en buitenlandse instelling(en);
b. de meerkosten van het opstarten of intensiveren, daarin begrepen de aanloopkosten van de samenwerking expliciet worden gemaakt;
c. slechts in zeer bescheiden mate infrastructurele investeringen worden ondersteund, en dan alleen die op het gebied van informatie- en communicatietechnologie;
d. alleen het creëren van een organisatorisch kader waarbinnen mobiliteit van studenten en docenten kan plaatsvinden, wordt ondersteund, tenzij het gaat om het op gang brengen van de mobiliteit, waarvoor een bescheiden ondersteuning wordt geboden;
e. sprake is van een onderbouwde planning en begroting, zowel betreffende vereiste menselijke en als financiële middelen, waarbij een uitsplitsing wordt gemaakt naar de financieringsbronnen van het gehele programma, inclusief de bijdrage van de buitenlandse partner en overheid;
f. sprake is van een centrale programma-administratie voor het hele samenwerkingsprogramma, op zodanige wijze dat nagegaan kan worden welke samenwerkingsactiviteiten er gefinancierd zijn;
g. sprake is van organisatorische samenhang tussen de uitvoerende faculteiten binnen de instelling en gelijkgerichtheid in de aanpak en de programma-administratie.