BWBR0008383
Geldig vanaf 1997-01-01
Artikel 7
Regeling keuringsinstanties Wet pleziervaartuigen
1. Een keuringsinstantie die niet over een accreditatie als bedoeld in artikel 6, onderdeel b, beschikt, wordt jaarlijks onderworpen aan een controleonderzoek en vierjaarlijks aan een hernieuwd onderzoek, uit te voeren door de Raad, die over de uitkomsten van het onderzoek rapporteert aan de Minister van Verkeer en Waterstaat.
2. Bij een controleonderzoek wordt globaal getoetst of de keuringsinstantie nog steeds voldoet aan de artikelen 3a tot en met 4a. Bij een hernieuwd onderzoek vindt een volledige herbeoordeling plaats van het vermogen van de keuringsinstantie om, gelet op haar organisatie, personeel en materieel, de taken te verrichten waarvoor zij is aangewezen.
3. De periode tussen het onderzoek, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel d, en het eerstvolgende controleonderzoek of tussen twee onderzoeken als bedoeld in het eerste lid bedraagt ten minste acht en ten hoogste zestien maanden. Indien bij twee opeenvolgende onderzoeken als bedoeld in het eerste lid geen non-conformiteiten zijn geconstateerd en de keuringsinstantie tevens naar behoren heeft voldaan aan de artikelen 5en 6, wordt de keuringsinstantie in afwijking van het eerste lid uiterlijk vierentwintig maanden na het vorige onderzoek onderworpen aan het eerstvolgende onderzoek.
4. Bij samenloop van een hernieuwd onderzoek met een controleonderzoek treedt het hernieuwde onderzoek in de plaats van dat controleonderzoek.
2. Bij een controleonderzoek wordt globaal getoetst of de keuringsinstantie nog steeds voldoet aan de artikelen 3a tot en met 4a. Bij een hernieuwd onderzoek vindt een volledige herbeoordeling plaats van het vermogen van de keuringsinstantie om, gelet op haar organisatie, personeel en materieel, de taken te verrichten waarvoor zij is aangewezen.
3. De periode tussen het onderzoek, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel d, en het eerstvolgende controleonderzoek of tussen twee onderzoeken als bedoeld in het eerste lid bedraagt ten minste acht en ten hoogste zestien maanden. Indien bij twee opeenvolgende onderzoeken als bedoeld in het eerste lid geen non-conformiteiten zijn geconstateerd en de keuringsinstantie tevens naar behoren heeft voldaan aan de artikelen 5en 6, wordt de keuringsinstantie in afwijking van het eerste lid uiterlijk vierentwintig maanden na het vorige onderzoek onderworpen aan het eerstvolgende onderzoek.
4. Bij samenloop van een hernieuwd onderzoek met een controleonderzoek treedt het hernieuwde onderzoek in de plaats van dat controleonderzoek.