1. Voor die gemeenten, waarvoor bij de inwerkingtreding van de invoeringswet een percentage als bedoeld in
artikel 2.3.1 van het Besluit verfijningen algemene uitkering 1984gold van 50 of meer, wordt een factor als bedoeld in de maatstaf slechte bodem vastgesteld. In overeenstemming met het voor het uitkeringsjaar 1996 geldende percentage wordt de factor vastgesteld zoals in bijlage 1bij deze regeling is aangegeven.
2. De ministers besluiten omtrent de vaststelling van een factor ten aanzien van een gemeente waarvan de grenzen zijn gewijzigd op of na de datum van inwerkingtreding van de invoeringswet en waarvan het grondgebied voor de wijziging deel uitmaakte van een gemeente ten aanzien waarvan een factor was vastgesteld.
3. De ministers besluiten omtrent de vaststelling van een factor op verzoek van een gemeente die aannemelijk maakt dat:
a. indien voor de gemeente geen factor is vastgesteld, een factor zal worden vastgesteld;
b. indien voor de gemeente reeds een factor is vastgesteld, de vast te stellen factor in een ander interval als bedoeld in de maatstaf slechte bodem valt, dan de vastgestelde factor.
4. Het aannemelijk maken van het verzoek door de gemeente geschiedt op basis van een door de gemeente te overleggen onderzoeksrapport van deskundigen.
5. Ten behoeve van een besluit omtrent de vaststelling van een factor wordt het aandeel bepaald van het grondgebied van de gemeente waarbij:
a. in de ondergrond een aaneengesloten veen, veen-kleilaag of knikkleilaag voorkomt van 5 meter dikte of meer, waarvan de bovenkant binnen drie meter onder het maaiveld ligt;
b. binnen 10 meter in de ondergrond een kleilaag voorkomt behorende tot de afzetting van Calais, welke dikker is dan 5 meter en voor meer dan 15% bestaat uit deeltjes kleiner dan 16 micrometer.
6. Indien het aandeel kleiner is dan 0,5 wordt voor de gemeente geen factor vastgesteld. In andere gevallen wordt voor de gemeente een factor vastgesteld ter grootte van het aandeel.
7. Het grondgebied van de gemeente wordt gevormd door het grondgebied bedoeld in de maatstaf land en binnenwater, vermeerderd, indien van toepassing, met het product, uitgedrukt in hectaren, dat de kustlijn en 300 meter oplevert.
8. Indien het onderzoek is ingesteld naar aanleiding van een verzoek van de gemeente dan geldt de in het zesde lid bedoelde factor met ingang van het uitkeringsjaar volgende op het kalenderjaar waarin de gemeente verzoekt de factor vast te stellen.