BWBR0008231
Geldig vanaf 1998-08-01
Artikel 18
Wet tot gemeentelijke herindeling samenwerkingsgebieden Midden-Brabant, Breda en Westelijk Noord-Brabant en in een gedeelte van de samenwerkingsgebieden Zuidoost-Brabant en 's-Hertogenbosch
1. Een nieuwe gemeente kan in de belastingverordening op de onroerende-zaakbelastingen bepalen, dat voor de toepassing van de <a href="/wet/BWBR0007119" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet waardering onroerende zaken</a>met betrekking tot de onroerende zaken gelegen in overgaand gebied, de ingevolge de in dat gebied geldende verordeningen op de onroerende-zaakbelastingen vastgestelde waarden naar de waardepeildatum 1 januari 1992, 1 januari 1993, 1 januari 1994 of 1 januari 1996, geacht worden de waarden per 1 januari 1995 te zijn.
2. Indien in de verordening op de onroerende-zaakbelastingen van een nieuwe gemeente niet een bepaling is opgenomen als bedoeld in het eerste lid, en de nieuwe gemeente niet overgaat tot het bepalen en vaststellen van de waarde op de voet van de <a href="/wet/BWBR0007119" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet waardering onroerende zaken</a>, wordt voor de toepassing van die wet de waarde van de onroerende zaken, gelegen in de nieuwe gemeente, op de voet van hoofdstuk III van die wet bepaald naar één van de in artikel 41 van die wet genoemde waardepeildata, zoals die is opgenomen in één van de verordeningen onroerende-zaakbelastingen die gelden in overgaand gebied. De op basis van die waardepeildatum vastgestelde waarden worden voor de toepassing van de <a href="/wet/BWBR0007119" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet waardering onroerende zaken</a>geacht de waarden per 1 januari 1995 te zijn.
3. Ingeval een belanghebbende bezwaar maakt tegen de met toepassing van het eerste dan wel tweede lid vastgestelde waarde van een onroerende zaak en aannemelijk maakt dat toepassing van de <a href="/wet/BWBR0007119" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">hoofdstukken III</a>en <a href="/wet/BWBR0007119" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">IV van de Wet waardering onroerende zaken</a>tot vaststelling van een lagere waarde zou leiden, wordt de waarde op de voet van die hoofdstukken bepaald en vastgesteld.
2. Indien in de verordening op de onroerende-zaakbelastingen van een nieuwe gemeente niet een bepaling is opgenomen als bedoeld in het eerste lid, en de nieuwe gemeente niet overgaat tot het bepalen en vaststellen van de waarde op de voet van de <a href="/wet/BWBR0007119" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet waardering onroerende zaken</a>, wordt voor de toepassing van die wet de waarde van de onroerende zaken, gelegen in de nieuwe gemeente, op de voet van hoofdstuk III van die wet bepaald naar één van de in artikel 41 van die wet genoemde waardepeildata, zoals die is opgenomen in één van de verordeningen onroerende-zaakbelastingen die gelden in overgaand gebied. De op basis van die waardepeildatum vastgestelde waarden worden voor de toepassing van de <a href="/wet/BWBR0007119" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet waardering onroerende zaken</a>geacht de waarden per 1 januari 1995 te zijn.
3. Ingeval een belanghebbende bezwaar maakt tegen de met toepassing van het eerste dan wel tweede lid vastgestelde waarde van een onroerende zaak en aannemelijk maakt dat toepassing van de <a href="/wet/BWBR0007119" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">hoofdstukken III</a>en <a href="/wet/BWBR0007119" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">IV van de Wet waardering onroerende zaken</a>tot vaststelling van een lagere waarde zou leiden, wordt de waarde op de voet van die hoofdstukken bepaald en vastgesteld.