BWBR0008137
Geldig vanaf 1996-08-01
Artikel VIII
Verzamelregeling BWOO
Voor de toepassing van artikel 49 van het Besluit werkloosheid onderwijs en onderzoekpersoneel geldt het volgende:
Artikel 1
De betrokkene, die recht heeft op een aanvullende uitkering als bedoeld in artikel 36 van het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BWOO), kan in overeenstemming met het bepaalde in artikel 49 BWOO het bevoegd gezag, verzoeken om deze aanvullende uitkering af te kopen. Het bevoegd gezag kan de minister adviseren afkoop van de aanvullende uitkering toe te staan indien aannemelijk is dat betrokkene niet binnen drie jaar in een betrekking bij een instelling, op het personeel waarvan het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel van toepassing is verklaard, benoemd zal worden.
Artikel 2
Het bevoegd gezag adviseert de minister tevens op welk bedrag de afkoopsom dient te worden gesteld, met dien verstande dat het bedrag niet meer kan bedragen dan vijftig procent van de gekapitaliseerde aanvullende uitkering.
Artikel 3
De betrokkene die gebruik heeft gemaakt van zijn recht om een aanvullende uitkering af te kopen heeft zijn diensttijd voor de bepaling van het recht op aanvullende uitkering vergolden, ook al is de onderbreking in de diensttijd korter dan de periode, bedoeld in artikel 36, vijfde lid.
Artikel 1
De betrokkene, die recht heeft op een aanvullende uitkering als bedoeld in artikel 36 van het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BWOO), kan in overeenstemming met het bepaalde in artikel 49 BWOO het bevoegd gezag, verzoeken om deze aanvullende uitkering af te kopen. Het bevoegd gezag kan de minister adviseren afkoop van de aanvullende uitkering toe te staan indien aannemelijk is dat betrokkene niet binnen drie jaar in een betrekking bij een instelling, op het personeel waarvan het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel van toepassing is verklaard, benoemd zal worden.
Artikel 2
Het bevoegd gezag adviseert de minister tevens op welk bedrag de afkoopsom dient te worden gesteld, met dien verstande dat het bedrag niet meer kan bedragen dan vijftig procent van de gekapitaliseerde aanvullende uitkering.
Artikel 3
De betrokkene die gebruik heeft gemaakt van zijn recht om een aanvullende uitkering af te kopen heeft zijn diensttijd voor de bepaling van het recht op aanvullende uitkering vergolden, ook al is de onderbreking in de diensttijd korter dan de periode, bedoeld in artikel 36, vijfde lid.