BWBR0008102
Geldig vanaf 1996-10-30
Artikel 4
Besluit participatiefonds
1. De statuten van het participatiefonds behoeven de goedkeuring van Onze Minister.
2. Onze Minister verleent de goedkeuring aan de statuten van het participatiefonds uitsluitend, indien deze statuten ten minste de volgende bepalingen bevatten:
a. de bepaling dat het participatiefonds zich ten doel stelt de waarborgen te bieden, bedoeld in de artikelen 184, eerste lid, van de WPO, 170, eerste lid, van de WEC en 98b, eerste lid, van de WVO;
b. de bepaling dat het bestuur van het participatiefonds wordt gevormd door vertegenwoordigers van de centrales, genoemd in artikel 3, eerste lid, van het Overlegbesluit onderwijspersoneel, en de organisaties, genoemd in artikel 24, eerste lid, van dat besluit, met uitzondering van het Werkgeversverbond Voortgezet Onderwijs;
c. de bepaling dat het bestuur van het participatiefonds ten minste een maal per jaar overleg voert met Onze Minister of een door Onze Minister aan te wijzen vertegenwoordiger;
d. de bepaling dat het participatiefonds is gehouden de aanwijzingen die Onze Minister geeft op grond van de artikelen 188, eerste lid, van de WPO, 173, eerste lid, van de WEC en 123b, eerste lid, van de WVO, zomede op grond van dit besluit, op te volgen;
e. de bepaling dat het participatiefonds Onze Minister alle inlichtingen verschaft, die noodzakelijk zijn voor het door Onze Minister uit te oefenen toezicht op het participatiefonds;
f. de bepaling dat het participatiefonds in het kader van zijn taakuitoefening, bedoeld in onderdeel a , het bevoegd gezag bij reglement of anderszins verplichtingen van administratieve aard oplegt: 1°. ten behoeve van de controle van de rechtmatigheid van de uitgaven van het participatiefonds,
2°. ten behoeve van het verkrijgen van betrouwbare gegevens met betrekking tot het ontstaan van aanspraken op werkloosheidsuitkeringen of herplaatsingswachtgelden,
3°. ten behoeve van de doelmatige uitvoering van de werkzaamheden door het participatiefonds,
4°. ten behoeve van het voldoen aan verplichtingen van het participatiefonds uit hoofde van de wet of dit besluit;
5°. ten behoeve van het vaststellen van de bijdrage die het bevoegd gezag aan het participatiefonds moet voldoen;
1°. ten behoeve van de controle van de rechtmatigheid van de uitgaven van het participatiefonds,
2°. ten behoeve van het verkrijgen van betrouwbare gegevens met betrekking tot het ontstaan van aanspraken op werkloosheidsuitkeringen of herplaatsingswachtgelden,
3°. ten behoeve van de doelmatige uitvoering van de werkzaamheden door het participatiefonds,
4°. ten behoeve van het voldoen aan verplichtingen van het participatiefonds uit hoofde van de wet of dit besluit;
5°. ten behoeve van het vaststellen van de bijdrage die het bevoegd gezag aan het participatiefonds moet voldoen;
g. de bepaling dat bij ontbinding of beëindiging van de werkzaamheden van het participatiefonds de bestemming van het bij liquidatie aanwezige vermogen wordt vastgesteld in overeenstemming met Onze Minister.
3. Bij de goedkeuring van besluiten van het bestuur van het participatiefonds tot wijziging van de statuten is het tweede lid van overeenkomstige toepassing.
4. Onze Minister onthoudt zijn goedkeuring aan een besluit van het bestuur van het participatiefonds tot wijziging van de statuten, indien een dergelijk besluit in strijd is met de wet of met dit besluit, dan wel in strijd is met het algemeen belang of niet is te verenigen met de waarborgen welke het participatiefonds zich ten doel stelt te bieden. Onze Minister kan aan een besluit van het bestuur van het participatiefonds tot wijziging van de statuten zijn goedkeuring onthouden, indien dat besluit naar zijn oordeel in strijd is met een door hem gegeven of voorgenomen aanwijzing, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d.
2. Onze Minister verleent de goedkeuring aan de statuten van het participatiefonds uitsluitend, indien deze statuten ten minste de volgende bepalingen bevatten:
a. de bepaling dat het participatiefonds zich ten doel stelt de waarborgen te bieden, bedoeld in de artikelen 184, eerste lid, van de WPO, 170, eerste lid, van de WEC en 98b, eerste lid, van de WVO;
b. de bepaling dat het bestuur van het participatiefonds wordt gevormd door vertegenwoordigers van de centrales, genoemd in artikel 3, eerste lid, van het Overlegbesluit onderwijspersoneel, en de organisaties, genoemd in artikel 24, eerste lid, van dat besluit, met uitzondering van het Werkgeversverbond Voortgezet Onderwijs;
c. de bepaling dat het bestuur van het participatiefonds ten minste een maal per jaar overleg voert met Onze Minister of een door Onze Minister aan te wijzen vertegenwoordiger;
d. de bepaling dat het participatiefonds is gehouden de aanwijzingen die Onze Minister geeft op grond van de artikelen 188, eerste lid, van de WPO, 173, eerste lid, van de WEC en 123b, eerste lid, van de WVO, zomede op grond van dit besluit, op te volgen;
e. de bepaling dat het participatiefonds Onze Minister alle inlichtingen verschaft, die noodzakelijk zijn voor het door Onze Minister uit te oefenen toezicht op het participatiefonds;
f. de bepaling dat het participatiefonds in het kader van zijn taakuitoefening, bedoeld in onderdeel a , het bevoegd gezag bij reglement of anderszins verplichtingen van administratieve aard oplegt: 1°. ten behoeve van de controle van de rechtmatigheid van de uitgaven van het participatiefonds,
2°. ten behoeve van het verkrijgen van betrouwbare gegevens met betrekking tot het ontstaan van aanspraken op werkloosheidsuitkeringen of herplaatsingswachtgelden,
3°. ten behoeve van de doelmatige uitvoering van de werkzaamheden door het participatiefonds,
4°. ten behoeve van het voldoen aan verplichtingen van het participatiefonds uit hoofde van de wet of dit besluit;
5°. ten behoeve van het vaststellen van de bijdrage die het bevoegd gezag aan het participatiefonds moet voldoen;
1°. ten behoeve van de controle van de rechtmatigheid van de uitgaven van het participatiefonds,
2°. ten behoeve van het verkrijgen van betrouwbare gegevens met betrekking tot het ontstaan van aanspraken op werkloosheidsuitkeringen of herplaatsingswachtgelden,
3°. ten behoeve van de doelmatige uitvoering van de werkzaamheden door het participatiefonds,
4°. ten behoeve van het voldoen aan verplichtingen van het participatiefonds uit hoofde van de wet of dit besluit;
5°. ten behoeve van het vaststellen van de bijdrage die het bevoegd gezag aan het participatiefonds moet voldoen;
g. de bepaling dat bij ontbinding of beëindiging van de werkzaamheden van het participatiefonds de bestemming van het bij liquidatie aanwezige vermogen wordt vastgesteld in overeenstemming met Onze Minister.
3. Bij de goedkeuring van besluiten van het bestuur van het participatiefonds tot wijziging van de statuten is het tweede lid van overeenkomstige toepassing.
4. Onze Minister onthoudt zijn goedkeuring aan een besluit van het bestuur van het participatiefonds tot wijziging van de statuten, indien een dergelijk besluit in strijd is met de wet of met dit besluit, dan wel in strijd is met het algemeen belang of niet is te verenigen met de waarborgen welke het participatiefonds zich ten doel stelt te bieden. Onze Minister kan aan een besluit van het bestuur van het participatiefonds tot wijziging van de statuten zijn goedkeuring onthouden, indien dat besluit naar zijn oordeel in strijd is met een door hem gegeven of voorgenomen aanwijzing, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d.