BWBR0008064
Geldig vanaf 2001-01-01
Artikel 2
Wet gevolgen brutering uitkeringsregelingen
1. Het loon dat betrekking heeft op een periode gelegen vóór het vervaljaar en dat wordt gehanteerd bij de berekening van:
a. het dagloon dat op grond van artikel 34 IWS ten grondslag ligt aan uitkeringen op grond van de WW,
b. het dagloon dat op grond van artikel 15 ZW ten grondslag ligt aan uitkeringen op grond van de ZW,
c. het dagloon dat op grond van artikel 14 WAO ten grondslag ligt aan uitkeringen op grond van de WAO,
wordt verhoogd met het percentage, vastgesteld op grond van artikel 3 van de Wet BOLdan wel, indien dit loon is vastgesteld met inachtneming van het minimumloon, bedoeld in de WML, met het percentage, vastgesteld op grond van artikel 5 van de Wet BOL.
2. Bij de in het eerste lid bedoelde verhoging wordt rekening gehouden met het op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wet BOLvastgestelde maximum.
3. Ter voorkoming van dubbele brutering kan bij ministeriële regeling van het eerste lid worden afgeweken.
a. het dagloon dat op grond van artikel 34 IWS ten grondslag ligt aan uitkeringen op grond van de WW,
b. het dagloon dat op grond van artikel 15 ZW ten grondslag ligt aan uitkeringen op grond van de ZW,
c. het dagloon dat op grond van artikel 14 WAO ten grondslag ligt aan uitkeringen op grond van de WAO,
wordt verhoogd met het percentage, vastgesteld op grond van artikel 3 van de Wet BOLdan wel, indien dit loon is vastgesteld met inachtneming van het minimumloon, bedoeld in de WML, met het percentage, vastgesteld op grond van artikel 5 van de Wet BOL.
2. Bij de in het eerste lid bedoelde verhoging wordt rekening gehouden met het op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wet BOLvastgestelde maximum.
3. Ter voorkoming van dubbele brutering kan bij ministeriële regeling van het eerste lid worden afgeweken.