BWBR0008057
Geldig vanaf 1996-05-22
Artikel 5
Wet privatisering RBB
1. Ieder personeelslid, ten aanzien van wie Onze Minister niet anders heeft beslist, gaat over in dienst van de N.V. RBB op een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, ingaande op de overgangsdatum.
2. De arbeidsovereenkomst geldt voor onbepaalde tijd. Indien het personeelslid echter was aangesteld in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd of werkzaam was op arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, geldt de arbeidsovereenkomst voor de niet verstreken tijd van de aanstelling voor bepaalde tijd dan wel van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.
3. De arbeidsovereenkomst betreft een functie die zoveel mogelijk overeenkomt met de functie die het personeelslid laatstelijk vervulde in dienst van de Rijks Bedrijfsgezondheids- en Bedrijfsveiligheidsdienst.
4. De arbeidsvoorwaarden in het geheel zullen niet ongunstiger zijn dan die welke voor het personeelslid golden uit hoofde van zijn dienstverband bij de Rijks Bedrijfsgezondheids- en Bedrijfsveiligheidsdienst. Onze Minister stelt nadere regels ter zake.
5. Binnen zes weken na de inwerkingtreding van deze wet kan het personeelslid aan Onze Minister mededelen dat het bezwaren heeft tegen de overgang in dienst bij de N.V. RBB. Onze Minister stelt nadere regels met betrekking tot het onderzoek van de bezwaren en beslist op de bezwaren.
6. Indien Onze Minister voor de overgangsdatum de bezwaren geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart, kan hij, in afwijking van het eerste lid beslissen dat het personeelslid niet overgaat in dienst van de N.V. RBB, dan wel het personeelslid een arbeidsovereenkomst met de N.V. RBB aanbieden, waarvan de inhoud in overeenstemming is met zijn beslissing op de bezwaren.
7. Indien Onze Minister voor de overgangsdatum niet heeft beslist op de bezwaren van het personeelslid als bedoeld in het vijfde en zesde lid, komt met hem, in afwijking van het eerste lid, op de overgangsdatum geen arbeidsovereenkomst tot stand.
8. Indien het personeelslid op of na de overgangsdatum de bezwaren intrekt of indien Onze Minister op of na de overgangsdatum de bezwaren ongegrond verklaart, komt een arbeidsovereenkomst tot stand op de eerste dag van de volgende maand.
9. In afwijking van het achtste lid komt geen arbeidsovereenkomst tot stand met het personeelslid dat binnen een week na de beslissing van de Minister op de bezwaren kenbaar maakt dat de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst met de N.V. RBB tegen zijn wil is. Indien deze wilsuiting geschiedt na de datum waarop het personeelslid op grond van het achtste lid reeds in dienst is getreden bij de N.V. RBB, wordt nochtans de arbeidsovereenkomst geacht niet tot stand te zijn gekomen. Het in dit lid bedoelde personeelslid wordt eervol ontslag verleend met inachtneming van een opzeggingstermijn van drie maanden.
10. Indien Onze Minister op of na de overgangsdatum de bezwaren geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart, kan hij beslissen dat het personeelslid niet overgaat in dienst van de N.V. RBB, dan wel de N.V. RBB verplichten het personeelslid een arbeidsovereenkomst aan te bieden, waarvan de inhoud in overeenstemming is met zijn beslissing. In het laatstbedoelde geval komt een arbeidsovereenkomst tot stand op de eerste dag van de volgende maand.
11. Door het tot stand komen van een arbeidsovereenkomst met de N.V. RBB is het personeelslid van rechtswege eervol ontslagen uit de dienst van de Staat.
12. Het personeelslid dat in verband met de behandeling van zijn bezwaren na de overgangsdatum bij de N.V. RBB in dienst treedt, zal zoveel mogelijk in de positie worden gebracht die hij zou hebben gehad indien hij op de overgangsdatum van rechtswege zou zijn overgegaan in dienst van de N.V. RBB.
2. De arbeidsovereenkomst geldt voor onbepaalde tijd. Indien het personeelslid echter was aangesteld in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd of werkzaam was op arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, geldt de arbeidsovereenkomst voor de niet verstreken tijd van de aanstelling voor bepaalde tijd dan wel van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.
3. De arbeidsovereenkomst betreft een functie die zoveel mogelijk overeenkomt met de functie die het personeelslid laatstelijk vervulde in dienst van de Rijks Bedrijfsgezondheids- en Bedrijfsveiligheidsdienst.
4. De arbeidsvoorwaarden in het geheel zullen niet ongunstiger zijn dan die welke voor het personeelslid golden uit hoofde van zijn dienstverband bij de Rijks Bedrijfsgezondheids- en Bedrijfsveiligheidsdienst. Onze Minister stelt nadere regels ter zake.
5. Binnen zes weken na de inwerkingtreding van deze wet kan het personeelslid aan Onze Minister mededelen dat het bezwaren heeft tegen de overgang in dienst bij de N.V. RBB. Onze Minister stelt nadere regels met betrekking tot het onderzoek van de bezwaren en beslist op de bezwaren.
6. Indien Onze Minister voor de overgangsdatum de bezwaren geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart, kan hij, in afwijking van het eerste lid beslissen dat het personeelslid niet overgaat in dienst van de N.V. RBB, dan wel het personeelslid een arbeidsovereenkomst met de N.V. RBB aanbieden, waarvan de inhoud in overeenstemming is met zijn beslissing op de bezwaren.
7. Indien Onze Minister voor de overgangsdatum niet heeft beslist op de bezwaren van het personeelslid als bedoeld in het vijfde en zesde lid, komt met hem, in afwijking van het eerste lid, op de overgangsdatum geen arbeidsovereenkomst tot stand.
8. Indien het personeelslid op of na de overgangsdatum de bezwaren intrekt of indien Onze Minister op of na de overgangsdatum de bezwaren ongegrond verklaart, komt een arbeidsovereenkomst tot stand op de eerste dag van de volgende maand.
9. In afwijking van het achtste lid komt geen arbeidsovereenkomst tot stand met het personeelslid dat binnen een week na de beslissing van de Minister op de bezwaren kenbaar maakt dat de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst met de N.V. RBB tegen zijn wil is. Indien deze wilsuiting geschiedt na de datum waarop het personeelslid op grond van het achtste lid reeds in dienst is getreden bij de N.V. RBB, wordt nochtans de arbeidsovereenkomst geacht niet tot stand te zijn gekomen. Het in dit lid bedoelde personeelslid wordt eervol ontslag verleend met inachtneming van een opzeggingstermijn van drie maanden.
10. Indien Onze Minister op of na de overgangsdatum de bezwaren geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart, kan hij beslissen dat het personeelslid niet overgaat in dienst van de N.V. RBB, dan wel de N.V. RBB verplichten het personeelslid een arbeidsovereenkomst aan te bieden, waarvan de inhoud in overeenstemming is met zijn beslissing. In het laatstbedoelde geval komt een arbeidsovereenkomst tot stand op de eerste dag van de volgende maand.
11. Door het tot stand komen van een arbeidsovereenkomst met de N.V. RBB is het personeelslid van rechtswege eervol ontslagen uit de dienst van de Staat.
12. Het personeelslid dat in verband met de behandeling van zijn bezwaren na de overgangsdatum bij de N.V. RBB in dienst treedt, zal zoveel mogelijk in de positie worden gebracht die hij zou hebben gehad indien hij op de overgangsdatum van rechtswege zou zijn overgegaan in dienst van de N.V. RBB.