BWBR0008007
Geldig vanaf 1996-04-16
Artikel 4.7
Regeling dierlijke EG-premies
1. De premie voor stieren of ossen bedraagt het bedrag dat voortvloeit uit artikel 11, tweede lid, van verordening 1254/1999.
2. De premie, bedoeld in het eerste lid, wordt voor stieren of ossen die blijkens het I & R-systeem rund ten minste 15 maanden oud zijn, aangevuld met een bedrag dat wordt berekend door:
a. de gemiddelde slachtwaarde van in 1999 geslachte dieren in de categorie koeien en vaarzen, de categorie stieren en ossen, onderscheidenlijk de gemiddelde opbrengstwaarde in de categorie zoogkoeien, te berekenen;
b. deze waarden vervolgens uit te drukken in een factor waarin de waarde per categorie zich tot de waarden van de andere categorieën verhoudt, waarbij de laagste waarde wordt uitgedrukt in factor 1;
c. de in 2002 geslachte aantallen dieren van ten minste 15 maanden oud waarvoor slachtpremie is verstrekt in de categorieën koeien en vaarzen, stieren en ossen, onderscheidenlijk het aantal zoogkoeien dat overeenkomt met het maximum aantal premierechten overeenkomstig bijlage II van verordening 1254/1999, te vermenigvuldigen met de bij de onderscheiden categorieën behorende verhoudingsfactor, zoals vastgesteld op grond van onderdeel b;
d. het maximumbedrag van bijlage IV van verordening 1254/1999 te delen door de som van de op grond van onderdeel c berekende getallen;
e. het aldus berekende bedrag te vermenigvuldigen met de voor de categorie stieren en ossen, op grond van onderdeel b berekende verhoudingsfactor.
3. De premie voor vrouwelijke runderen bedraagt het bedrag dat voortvloeit uit artikel 11, tweede lid, van verordening 1254/1999.
4. De premie als bedoeld in het derde lid wordt voor vrouwelijke runderen die blijkens het I & R-systeem rund ten minste 15 maanden oud zijn aangevuld met een bedrag dat wordt berekend door overeenkomstige toepassing van het tweede lid, onderdelen a tot en met e, met dien verstande dat voor de in onderdeel e bedoelde ‘categorie stieren en ossen’ wordt gelezen: categorie koeien en vaarzen.
2. De premie, bedoeld in het eerste lid, wordt voor stieren of ossen die blijkens het I & R-systeem rund ten minste 15 maanden oud zijn, aangevuld met een bedrag dat wordt berekend door:
a. de gemiddelde slachtwaarde van in 1999 geslachte dieren in de categorie koeien en vaarzen, de categorie stieren en ossen, onderscheidenlijk de gemiddelde opbrengstwaarde in de categorie zoogkoeien, te berekenen;
b. deze waarden vervolgens uit te drukken in een factor waarin de waarde per categorie zich tot de waarden van de andere categorieën verhoudt, waarbij de laagste waarde wordt uitgedrukt in factor 1;
c. de in 2002 geslachte aantallen dieren van ten minste 15 maanden oud waarvoor slachtpremie is verstrekt in de categorieën koeien en vaarzen, stieren en ossen, onderscheidenlijk het aantal zoogkoeien dat overeenkomt met het maximum aantal premierechten overeenkomstig bijlage II van verordening 1254/1999, te vermenigvuldigen met de bij de onderscheiden categorieën behorende verhoudingsfactor, zoals vastgesteld op grond van onderdeel b;
d. het maximumbedrag van bijlage IV van verordening 1254/1999 te delen door de som van de op grond van onderdeel c berekende getallen;
e. het aldus berekende bedrag te vermenigvuldigen met de voor de categorie stieren en ossen, op grond van onderdeel b berekende verhoudingsfactor.
3. De premie voor vrouwelijke runderen bedraagt het bedrag dat voortvloeit uit artikel 11, tweede lid, van verordening 1254/1999.
4. De premie als bedoeld in het derde lid wordt voor vrouwelijke runderen die blijkens het I & R-systeem rund ten minste 15 maanden oud zijn aangevuld met een bedrag dat wordt berekend door overeenkomstige toepassing van het tweede lid, onderdelen a tot en met e, met dien verstande dat voor de in onderdeel e bedoelde ‘categorie stieren en ossen’ wordt gelezen: categorie koeien en vaarzen.