BWBR0007917
Geldig vanaf 1996-03-02
Artikel 2
Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1996
1. De minister verleent op aanvraag aan een gemeente subsidie als tegemoetkoming in de door deze in het kalenderjaar 1996 te maken kosten voor het realiseren van nieuwe kinderopvangplaatsen ten behoeve van alleenstaande ouders die als zodanig in dat jaar:
a. algemene bijstand ontvangen en: 1º arbeid verrichten; of
2º ten aanzien van wie het volgen van scholing of een opleiding noodzakelijk worden geacht voor de inschakeling in de arbeid; dan wel
1º arbeid verrichten; of
2º ten aanzien van wie het volgen van scholing of een opleiding noodzakelijk worden geacht voor de inschakeling in de arbeid; dan wel
b. geen algemene bijstand meer ontvangen wegens het verrichten van arbeid - waaronder begrepen deelname aan de Regeling extra werkgelegenheid voor langdurig werklozen 1996 (Melkert I), de Subsidieregeling experimenten activering van uitkeringsgelden (Melkert II), de Jeugdwerkgarantiewet of de Rijksbijdrageregeling Banenpools, waarbij naar het oordeel van burgemeester en wethouders het bekostigen van de kinderopvang nog steeds noodzakelijk is om die arbeid te kunnen blijven verrichten.
2. Met algemene bijstand, als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, wordt gelijkgesteld een uitkering ingevolge enige sociale zekerheidswet waarvan de hoogte de bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder niet te boven gaat indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders het ontbreken van de bekostiging van kinderopvang ten aanzien van de betreffende alleenstaande ouder zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.
3. De kosten van kinderopvangplaatsen kunnen ontstaan:
a. doordat de gemeente zelf in het treffen van die plaatsen voorziet;
b. door het betalen van een vergoeding aan een derde instelling op grond van een schriftelijke overeenkomst, waarbij die derde zich jegens de gemeente verplicht heeft tot het bieden van een of meer kinderopvangplaatsen;
c. door het betalen van een vergoeding aan de alleenstaande ouder die met een derde schriftelijk een overeenkomst gesloten heeft, waarbij die derde zich jegens de ouder verplicht heeft tot het bieden van een of meer kinderopvangplaatsen.
4. Geen subsidie wordt verleend ten aanzien van kosten die uit anderen hoofde worden vergoed.
a. algemene bijstand ontvangen en: 1º arbeid verrichten; of
2º ten aanzien van wie het volgen van scholing of een opleiding noodzakelijk worden geacht voor de inschakeling in de arbeid; dan wel
1º arbeid verrichten; of
2º ten aanzien van wie het volgen van scholing of een opleiding noodzakelijk worden geacht voor de inschakeling in de arbeid; dan wel
b. geen algemene bijstand meer ontvangen wegens het verrichten van arbeid - waaronder begrepen deelname aan de Regeling extra werkgelegenheid voor langdurig werklozen 1996 (Melkert I), de Subsidieregeling experimenten activering van uitkeringsgelden (Melkert II), de Jeugdwerkgarantiewet of de Rijksbijdrageregeling Banenpools, waarbij naar het oordeel van burgemeester en wethouders het bekostigen van de kinderopvang nog steeds noodzakelijk is om die arbeid te kunnen blijven verrichten.
2. Met algemene bijstand, als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, wordt gelijkgesteld een uitkering ingevolge enige sociale zekerheidswet waarvan de hoogte de bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder niet te boven gaat indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders het ontbreken van de bekostiging van kinderopvang ten aanzien van de betreffende alleenstaande ouder zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.
3. De kosten van kinderopvangplaatsen kunnen ontstaan:
a. doordat de gemeente zelf in het treffen van die plaatsen voorziet;
b. door het betalen van een vergoeding aan een derde instelling op grond van een schriftelijke overeenkomst, waarbij die derde zich jegens de gemeente verplicht heeft tot het bieden van een of meer kinderopvangplaatsen;
c. door het betalen van een vergoeding aan de alleenstaande ouder die met een derde schriftelijk een overeenkomst gesloten heeft, waarbij die derde zich jegens de ouder verplicht heeft tot het bieden van een of meer kinderopvangplaatsen.
4. Geen subsidie wordt verleend ten aanzien van kosten die uit anderen hoofde worden vergoed.