BWBR0007907
Geldig vanaf 1996-04-01
Artikel 8
Lozingenbesluit WVO stedelijk afvalwater
1. De waterkwaliteitsbeheerder verbindt aan een vergunning voor het lozen in ieder geval het voorschrift dat het stedelijk afvalwater voorafgaand aan het lozen een zodanige behandeling ondergaat dat de op het ontvangende oppervlaktewater van toepassing zijnde kwaliteitsdoelstellingen, vastgesteld krachtens de Wet milieubeheer, de Wet verontreiniging oppervlaktewaterenen de Wet op de waterhuishouding, kunnen worden gerealiseerd. De behandeling vindt plaats uiterlijk met ingang van:
a. 31 december 1998 indien het betreft stedelijk afvalwater met een vervuilingswaarde van meer dan 10 000 i.e., dan wel
b. 31 december 2005 indien het betreft stedelijk afvalwater met een vervuilingswarde van niet meer dan 10 000 i.e.
2. De waterkwaliteitsbeheerder verbindt aan een vergunning voor het lozen in ieder geval het voorschrift dat het stedelijk afvalwater met een vervuilingswaarde van 2 000 i.e. of meer een zodanige behandeling ondergaat dat het voorafgaand aan het lozen ten minste voldoet aan:
a. de grenswaarden, genoemd in de bijlage 2, en
b. met ingang van de in de bijlage 3 genoemde datum, aan de in die bijlage genoemde grenswaarden.
3. De waterkwaliteitsbeheerder verbindt aan een vergunning voor het lozen lagere grenswaarden dan bedoeld in de bijlagen 2en 3, indien dat noodzakelijk is opdat de op het ontvangende oppervlaktewater van toepassing zijnde kwaliteitsdoelstellingen bedoeld in het eerste lid kunnen worden gerealiseerd.
a. 31 december 1998 indien het betreft stedelijk afvalwater met een vervuilingswaarde van meer dan 10 000 i.e., dan wel
b. 31 december 2005 indien het betreft stedelijk afvalwater met een vervuilingswarde van niet meer dan 10 000 i.e.
2. De waterkwaliteitsbeheerder verbindt aan een vergunning voor het lozen in ieder geval het voorschrift dat het stedelijk afvalwater met een vervuilingswaarde van 2 000 i.e. of meer een zodanige behandeling ondergaat dat het voorafgaand aan het lozen ten minste voldoet aan:
a. de grenswaarden, genoemd in de bijlage 2, en
b. met ingang van de in de bijlage 3 genoemde datum, aan de in die bijlage genoemde grenswaarden.
3. De waterkwaliteitsbeheerder verbindt aan een vergunning voor het lozen lagere grenswaarden dan bedoeld in de bijlagen 2en 3, indien dat noodzakelijk is opdat de op het ontvangende oppervlaktewater van toepassing zijnde kwaliteitsdoelstellingen bedoeld in het eerste lid kunnen worden gerealiseerd.