BWBR0007800
Geldig vanaf 1996-01-01
Artikel 19
Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair onderwijs
1. Ingeval van een geschil over het wel of niet bestaan van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte voorziet artikel 32, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenin het instellen van een onderzoek en het geven van een oordeel.
2. De betrokkene die bedenkingen heeft tegen een conclusie van geneeskundige aard, als bedoeld in artikel 18, kan daarvan binnen drie dagen na ontvangst van de conclusie onder opgave van redenen aan het bevoegd gezag schriftelijk mededeling doen. Hij kan ter ondersteuning van zijn bedenkingen een verklaring overleggen van een arts, die alsdan door de commissie, bedoeld in het tweede lid, in de gelegenheid wordt gesteld tot het geven van een nadere schriftelijke of mondelinge toelichting.
3. Behalve indien, na overleg met de deskundige persoon of de arbodienst, door het bevoegd gezag de bedenkingen van de betrokkene reeds aanstonds voldoende gegrond worden geacht, wordt binnen 14 dagen op last van het bevoegd gezag door een commissie van artsen een hernieuwd onderzoek ingesteld. In deze commissie mogen geen zitting hebben de arts of artsen, die het eerste onderzoek, bedoeld in artikel 18, hebben verricht.
4. De conclusie van de commissie is bindend.
5. De conclusie van het onderzoek deelt de commissie zo spoedig mogelijk schriftelijk mede:
a. aan het bevoegd gezag dat vervolgens hiervan onverwijld schriftelijk kennis geeft aan de betrokkene;
b. aan de behandelend arts van betrokkene op verzoek van laatstgenoemde.
6. De kosten van het hernieuwd onderzoek alsmede de kosten, verbonden aan het onderzoek, bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, komen voor rekening van het bevoegd gezag. De eventuele reis- en verblijfkosten van de betrokkene worden hem door het bevoegd gezag vergoed op basis van nader door het bevoegd gezag te stellen regelen, dan wel, voor zover het een instelling betreft, genoemd in artikel 1, onderdelen b1 tot en met b4, b6 en b7, op basis van de Regeling vergoeding van reis- en verblijfskosten bij dienstreizen voor onderwijspersoneel.
7. Op de in het tweede en derde lid genoemde termijnen is de Algemene termijnenwetvan toepassing.
8. Dit artikel vindt geen toepassing ten aanzien van betrokkenen die zijn ontslagen of wier dienstverband is beëindigd.
2. De betrokkene die bedenkingen heeft tegen een conclusie van geneeskundige aard, als bedoeld in artikel 18, kan daarvan binnen drie dagen na ontvangst van de conclusie onder opgave van redenen aan het bevoegd gezag schriftelijk mededeling doen. Hij kan ter ondersteuning van zijn bedenkingen een verklaring overleggen van een arts, die alsdan door de commissie, bedoeld in het tweede lid, in de gelegenheid wordt gesteld tot het geven van een nadere schriftelijke of mondelinge toelichting.
3. Behalve indien, na overleg met de deskundige persoon of de arbodienst, door het bevoegd gezag de bedenkingen van de betrokkene reeds aanstonds voldoende gegrond worden geacht, wordt binnen 14 dagen op last van het bevoegd gezag door een commissie van artsen een hernieuwd onderzoek ingesteld. In deze commissie mogen geen zitting hebben de arts of artsen, die het eerste onderzoek, bedoeld in artikel 18, hebben verricht.
4. De conclusie van de commissie is bindend.
5. De conclusie van het onderzoek deelt de commissie zo spoedig mogelijk schriftelijk mede:
a. aan het bevoegd gezag dat vervolgens hiervan onverwijld schriftelijk kennis geeft aan de betrokkene;
b. aan de behandelend arts van betrokkene op verzoek van laatstgenoemde.
6. De kosten van het hernieuwd onderzoek alsmede de kosten, verbonden aan het onderzoek, bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, komen voor rekening van het bevoegd gezag. De eventuele reis- en verblijfkosten van de betrokkene worden hem door het bevoegd gezag vergoed op basis van nader door het bevoegd gezag te stellen regelen, dan wel, voor zover het een instelling betreft, genoemd in artikel 1, onderdelen b1 tot en met b4, b6 en b7, op basis van de Regeling vergoeding van reis- en verblijfskosten bij dienstreizen voor onderwijspersoneel.
7. Op de in het tweede en derde lid genoemde termijnen is de Algemene termijnenwetvan toepassing.
8. Dit artikel vindt geen toepassing ten aanzien van betrokkenen die zijn ontslagen of wier dienstverband is beëindigd.