BWBR0007791
Geldig vanaf 1995-12-28
Artikel 7
Wet privatisering ABP
1. De belanghebbende verkrijgt met ingang van 1 januari 1996 aanspraken op ouderdoms- en nabestaandenpensioen jegens de Stichting Pensioenfonds ABP die in totaliteit gelijkwaardig zijn aan het uitzicht of het recht dat hij op 31 december 1995 ter zake ontleent aan de Abp-wet en de wijzigingswetten van die wet, met inachtneming van hetgeen ter zake in paragraaf 3is bepaald.
2. De belanghebbende verkrijgt met inachtneming van paragraaf 4met ingang van 1 januari 1996 aanspraken op invaliditeitspensioen of herplaatsingstoelage jegens de Stichting Pensioenfonds ABP, die tezamen met de aanspraken jegens het FAOP op een WAO-conforme uitkering ingevolge artikel 32, eerste lid, juncto artikel 37in totaliteit gelijkwaardig zijn aan de overeenkomstige aanspraken ingevolge de Abp-wet en de wijzigingswetten van die wet.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing ten aanzien van het personeelslid van het ABP waarop artikel 27van toepassing is, behoudens het vierde lid van dat artikel.
4. Het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP verstrekt aan degene die op 31 december 1995 ambtenaar is of recht op invaliditeitspensioen heeft, alsmede voor zover mogelijk aan de gewezen ambtenaar aan wie nog geen pensioen is toegekend, een schriftelijke opgave van het uit hoofde van zijn dienstbetrekking opgebouwde uitzicht op pensioen ingevolge de Abp-wet. Deze opgave bevat ten minste de voor pensioen geldende diensttijd, alsmede de twee berekeningsgrondslagen die zouden zijn gehanteerd indien aan hem pensioen ingevolge de Abp-wet zou zijn verleend met ingang van 1 januari 1996.
5. De opgave, bedoeld in het vierde lid, wordt aangemerkt als een besluit als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/1:3" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht</a>. Ten aanzien van deze opgave is hoofdstuk S van de Abp-wet, zoals dat luidde op 31 december 1995, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat wordt begrepen onder:
a. bestuur: het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP;
b. directieraad: de directieraad van de Stichting Pensioenfonds ABP.
2. De belanghebbende verkrijgt met inachtneming van paragraaf 4met ingang van 1 januari 1996 aanspraken op invaliditeitspensioen of herplaatsingstoelage jegens de Stichting Pensioenfonds ABP, die tezamen met de aanspraken jegens het FAOP op een WAO-conforme uitkering ingevolge artikel 32, eerste lid, juncto artikel 37in totaliteit gelijkwaardig zijn aan de overeenkomstige aanspraken ingevolge de Abp-wet en de wijzigingswetten van die wet.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing ten aanzien van het personeelslid van het ABP waarop artikel 27van toepassing is, behoudens het vierde lid van dat artikel.
4. Het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP verstrekt aan degene die op 31 december 1995 ambtenaar is of recht op invaliditeitspensioen heeft, alsmede voor zover mogelijk aan de gewezen ambtenaar aan wie nog geen pensioen is toegekend, een schriftelijke opgave van het uit hoofde van zijn dienstbetrekking opgebouwde uitzicht op pensioen ingevolge de Abp-wet. Deze opgave bevat ten minste de voor pensioen geldende diensttijd, alsmede de twee berekeningsgrondslagen die zouden zijn gehanteerd indien aan hem pensioen ingevolge de Abp-wet zou zijn verleend met ingang van 1 januari 1996.
5. De opgave, bedoeld in het vierde lid, wordt aangemerkt als een besluit als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/1:3" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht</a>. Ten aanzien van deze opgave is hoofdstuk S van de Abp-wet, zoals dat luidde op 31 december 1995, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat wordt begrepen onder:
a. bestuur: het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP;
b. directieraad: de directieraad van de Stichting Pensioenfonds ABP.