1. Op het vaststellen van het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven, bedoeld in artikel 3, zijn de
artikelen 2,
3en
4 van het Inkomensbesluit IOAZvan overeenkomstige toepassing.
2. Op de waardering van het vermogen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder e, is het Besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 29 juni 1987 houdende nadere regels met betrekking tot de waardering van het vermogen van de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen(Stcrt. 223) van overeenkomstige toepassing.