BWBR0007687
Geldig vanaf 2001-04-11
Artikel 2.1:1
Arbeidstijdenbesluit
1. De artikelen 4:2en 4:3en de hoofdstukken 5en 6 van de weten de daarop berustende bepalingen zijn niet van toepassing op arbeid verricht door de werknemer van 18 jaar of ouder:
a. wiens jaarlijks in geld vastgesteld loon ten minste 3 maal het bedrag, vastgesteld overeenkomstig het derde lid, bedraagt, of
b. die namens de werkgever uitsluitend of in hoofdzaak leiding geeft aan werknemers die voor die werkgever arbeid verrichten op een mijnbouwwerk of een windpark.
2. Het eerste lid, onder a, is niet van toepassing op de werknemer die:
a. arbeid verricht op of vanaf een mijnbouwwerk of een windpark;
b. arbeid pleegt te verrichten in nachtdienst, of
c. arbeid verricht waaraan of in rechtstreeks verband waarmee ernstige gevaren voor de veiligheid of de gezondheid van personen zijn verbonden.
3. De hoogte van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt:
a. het twaalfvoud van de uitbetalingstermijn van een maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, dat overeenkomstig artikel 14, eerste en zesde lid, van die wet, is vastgesteld op 1 januari van het desbetreffende jaar,
b. verhoogd met het op grond van artikel 15, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voorgeschreven percentage vakantiebijslag,
c. afgerond op het dichtstbijzijnde veelvoud van € 50, waarbij het restbedrag van € 25 wordt afgerond naar boven.
Bij een werknemer die in deeltijd werkt wordt het bedrag naar rato van zijn deeltijdfactor toegepast.
4. Het jaarlijks in geld vastgesteld loon, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks door of namens Onze Minister medegedeeld in de Staatscourant.
a. wiens jaarlijks in geld vastgesteld loon ten minste 3 maal het bedrag, vastgesteld overeenkomstig het derde lid, bedraagt, of
b. die namens de werkgever uitsluitend of in hoofdzaak leiding geeft aan werknemers die voor die werkgever arbeid verrichten op een mijnbouwwerk of een windpark.
2. Het eerste lid, onder a, is niet van toepassing op de werknemer die:
a. arbeid verricht op of vanaf een mijnbouwwerk of een windpark;
b. arbeid pleegt te verrichten in nachtdienst, of
c. arbeid verricht waaraan of in rechtstreeks verband waarmee ernstige gevaren voor de veiligheid of de gezondheid van personen zijn verbonden.
3. De hoogte van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt:
a. het twaalfvoud van de uitbetalingstermijn van een maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, dat overeenkomstig artikel 14, eerste en zesde lid, van die wet, is vastgesteld op 1 januari van het desbetreffende jaar,
b. verhoogd met het op grond van artikel 15, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voorgeschreven percentage vakantiebijslag,
c. afgerond op het dichtstbijzijnde veelvoud van € 50, waarbij het restbedrag van € 25 wordt afgerond naar boven.
Bij een werknemer die in deeltijd werkt wordt het bedrag naar rato van zijn deeltijdfactor toegepast.
4. Het jaarlijks in geld vastgesteld loon, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks door of namens Onze Minister medegedeeld in de Staatscourant.