BWBR0007588
Geldig vanaf 1995-10-01
Artikel II
Regeling radarinstallaties en bochtaanwijzers 1995
1. De bediening en de controle van de voortstuwingsmotoren en van de stuurinrichtingen moet vanaf de stuurstelling mogelijk zijn.
2. De bediening van elke voortstuwingsmotor moet kunnen geschieden door één enkele hefboom. De hefboom moet volgens een cirkelboog, welke zich bevindt in een verticaal vlak, dat nagenoeg evenwijdig is aan de lengte-as van het schip, kunnen worden bewogen. Het verplaatsen van deze hefboom in de richting van het voorschip moet het schip vooruit doen varen, terwijl verplaatsing van de hefboom in de richting van het achterschip het schip achteruit doet varen. Aan weerszijde van de stopstand van de hefboom vindt het koppelen of omkeren plaats. In de vrijstand moet de hefboom vanzelf blijven staan.
3. De richting van de door de aandrijving op het schip werkende voortstuwingskracht alsmede het toerental van de schroeven of voortstuwingsmotoren moet worden aangegeven.
4. Het roer van het schip moet worden bediend door middel van een hefboom. Deze hefboom moet gemakkelijk met de hand bediend kunnen worden en de hoek tussen de hefboom en de lengte-as van het schip moet overeenkomen met de afwijking van de roerbladen ten opzichte van de as van het schip. De hefboom moet in onverschillig welke positie kunnen worden losgelaten, zonder dat dan de stand van de roerbladen verandert. De middenstand van de hefboom moet duidelijk voelbaar zijn.
5. Wanneer het schip is voorzien van koproeren of bijzondere roeren (b.v. voor achteruitvaren), moeten deze door speciale hefbomen kunnen worden bediend, die aan de in het vierde lid genoemde toepasselijke eisen voldoen. Dit geldt ook wanneer bij samenstellen de roerinrichtingen van andere schepen dan het voor het voeren van het samenstel gebruikte schip worden gebruikt.
2. De bediening van elke voortstuwingsmotor moet kunnen geschieden door één enkele hefboom. De hefboom moet volgens een cirkelboog, welke zich bevindt in een verticaal vlak, dat nagenoeg evenwijdig is aan de lengte-as van het schip, kunnen worden bewogen. Het verplaatsen van deze hefboom in de richting van het voorschip moet het schip vooruit doen varen, terwijl verplaatsing van de hefboom in de richting van het achterschip het schip achteruit doet varen. Aan weerszijde van de stopstand van de hefboom vindt het koppelen of omkeren plaats. In de vrijstand moet de hefboom vanzelf blijven staan.
3. De richting van de door de aandrijving op het schip werkende voortstuwingskracht alsmede het toerental van de schroeven of voortstuwingsmotoren moet worden aangegeven.
4. Het roer van het schip moet worden bediend door middel van een hefboom. Deze hefboom moet gemakkelijk met de hand bediend kunnen worden en de hoek tussen de hefboom en de lengte-as van het schip moet overeenkomen met de afwijking van de roerbladen ten opzichte van de as van het schip. De hefboom moet in onverschillig welke positie kunnen worden losgelaten, zonder dat dan de stand van de roerbladen verandert. De middenstand van de hefboom moet duidelijk voelbaar zijn.
5. Wanneer het schip is voorzien van koproeren of bijzondere roeren (b.v. voor achteruitvaren), moeten deze door speciale hefbomen kunnen worden bediend, die aan de in het vierde lid genoemde toepasselijke eisen voldoen. Dit geldt ook wanneer bij samenstellen de roerinrichtingen van andere schepen dan het voor het voeren van het samenstel gebruikte schip worden gebruikt.