BWBR0007495
Geldig vanaf 2001-06-01
Artikel 11a
Kaderbesluit rechtspositie VO
1. Aan de betrokkene die in een kalenderjaar is benoemd of benoemd is geweest in een functie, wordt met inachtneming van het tweede tot en met het vijfde lid een eindejaarsuitkering toegekend.
2. Bij ministeriële regeling stelt Onze Minister de hoogte en de berekeningswijze van de in het eerste lid bedoelde uitkering vast.
3. De eindejaarsuitkering wordt eenmaal per jaar uitbetaald in de maand december over de periode van twaalf maanden die eindigt met de maand december.
4. In afwijking van het derde lid vindt bij ontslag van de betrokkene de uitbetaling plaats over het tijdvak januari tot de datum van ontslag van het desbetreffende kalenderjaar.
5. De uitkering maakt deel uit van het inkomen, bedoeld in het pensioenreglement, voor zover dat door Onze Minister in de ministeriële regeling, bedoeld in het tweede lid, wordt bepaald.
2. Bij ministeriële regeling stelt Onze Minister de hoogte en de berekeningswijze van de in het eerste lid bedoelde uitkering vast.
3. De eindejaarsuitkering wordt eenmaal per jaar uitbetaald in de maand december over de periode van twaalf maanden die eindigt met de maand december.
4. In afwijking van het derde lid vindt bij ontslag van de betrokkene de uitbetaling plaats over het tijdvak januari tot de datum van ontslag van het desbetreffende kalenderjaar.
5. De uitkering maakt deel uit van het inkomen, bedoeld in het pensioenreglement, voor zover dat door Onze Minister in de ministeriële regeling, bedoeld in het tweede lid, wordt bepaald.