BWBR0007419
Geldig vanaf 1995-06-23
Artikel 9
Wet balansverkorting geldelijke steun volkshuisvesting
1. Indien de overeenkomstig de artikelen 2en 3, derde lid, vastgestelde som hoger is dan de overeenkomstig de artikelen 2en 3, eerste lid, vastgestelde som, heeft de nadere vaststelling bedoeld in de artikelen 2en 3, derde lid, tot gevolg dat ten laste van het Rijk onderscheidenlijk de gemeente een verbintenis ontstaat tot betaling aan de gemeente onderscheidenlijk de toegelaten instelling van het verschil tussen beide sommen.
2. Indien de overeenkomstig de artikelen 2en 3, derde lid, vastgestelde som lager is dan de overeenkomstig de artikelen 2en 3, eerste lid, vastgestelde som, heeft de nadere vaststelling, bedoeld in de artikelen 2en 3, derde lid, tot gevolg dat ten laste van de gemeente onderscheidenlijk de toegelaten instelling een verbintenis ontstaat tot betaling aan het Rijk onderscheidenlijk de gemeente van het verschil tussen beide sommen.
3. Indien de met overeenkomstige toepassing van artikel 3, derde lid, verleende bijdrage, bedoeld in artikel 7, hoger is dan de met overeenkomstige toepassing van artikel 3, eerste lid, verleende bijdrage, ontstaat ten laste van het Rijk onderscheidenlijk de gemeente een verbintenis tot betaling aan de gemeente onderscheidenlijk de toegelaten instelling van het verschil tussen beide bijdragen.
4. Indien de met overeenkomstige toepassing van artikel 3, derde lid, verleende bijdrage, bedoeld in artikel 7, lager is dan de met overeenkomstige toepassing van artikel 3, eerste lid, verleende bijdrage, ontstaat ten laste van de gemeente onderscheidenlijk de toegelaten instelling een verbintenis tot betaling aan het Rijk onderscheidenlijk de gemeente van het verschil tussen beide bijdragen.
5. Over schulden als bedoeld in het eerste, tweede, derde of vierde lid is een rente verschuldigd van 6,75 procent, te rekenen vanaf 1 januari 1995 tot de inwerkingtreding van de beschikking.
2. Indien de overeenkomstig de artikelen 2en 3, derde lid, vastgestelde som lager is dan de overeenkomstig de artikelen 2en 3, eerste lid, vastgestelde som, heeft de nadere vaststelling, bedoeld in de artikelen 2en 3, derde lid, tot gevolg dat ten laste van de gemeente onderscheidenlijk de toegelaten instelling een verbintenis ontstaat tot betaling aan het Rijk onderscheidenlijk de gemeente van het verschil tussen beide sommen.
3. Indien de met overeenkomstige toepassing van artikel 3, derde lid, verleende bijdrage, bedoeld in artikel 7, hoger is dan de met overeenkomstige toepassing van artikel 3, eerste lid, verleende bijdrage, ontstaat ten laste van het Rijk onderscheidenlijk de gemeente een verbintenis tot betaling aan de gemeente onderscheidenlijk de toegelaten instelling van het verschil tussen beide bijdragen.
4. Indien de met overeenkomstige toepassing van artikel 3, derde lid, verleende bijdrage, bedoeld in artikel 7, lager is dan de met overeenkomstige toepassing van artikel 3, eerste lid, verleende bijdrage, ontstaat ten laste van de gemeente onderscheidenlijk de toegelaten instelling een verbintenis tot betaling aan het Rijk onderscheidenlijk de gemeente van het verschil tussen beide bijdragen.
5. Over schulden als bedoeld in het eerste, tweede, derde of vierde lid is een rente verschuldigd van 6,75 procent, te rekenen vanaf 1 januari 1995 tot de inwerkingtreding van de beschikking.