BWBR0007419
Geldig vanaf 1995-06-23
Artikel 2
Wet balansverkorting geldelijke steun volkshuisvesting
1. Onze Minister stelt voor elke in een gemeente werkzame toegelaten instelling afzonderlijk de som vast van de contante waarden op 1 januari 1995 van de, uit hoofde van geldelijke steun aan de gemeente verleend krachtens artikel 67 van de Woningwet 1962of artikel 56 van de Woningwet1901 met het oog op de toepassing van artikel 60 onderscheidenlijk artikel 51 van die wetten, op of na die datum te ontvangen bijdragen voor woningen welke op die datum in eigendom zijn van die toegelaten instelling of die zijn onderworpen aan een recht van erfpacht dat toebehoort aan die toegelaten instelling.
2. Het in het eerste lid bepaalde geldt mede voor de geldelijke steun voor woningen die deel uitmaken van het op of na 1 januari 1995 doch voor 1 januari 1997 door een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van een andere rechtspersoon zonder winstoogmerk verworven totale bezit aan woningen die deel uitmaakten van een bejaardenoord als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet op de bejaardenoorden, zoals die wet luidde voor de intrekking van die wet.
3. Het eerste lid is voor de gemeente van overeenkomstige toepassing ten aanzien van door die gemeente te ontvangen bijdragen voor woningen, in eigendom van de gemeente zelf.
2. Het in het eerste lid bepaalde geldt mede voor de geldelijke steun voor woningen die deel uitmaken van het op of na 1 januari 1995 doch voor 1 januari 1997 door een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van een andere rechtspersoon zonder winstoogmerk verworven totale bezit aan woningen die deel uitmaakten van een bejaardenoord als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet op de bejaardenoorden, zoals die wet luidde voor de intrekking van die wet.
3. Het eerste lid is voor de gemeente van overeenkomstige toepassing ten aanzien van door die gemeente te ontvangen bijdragen voor woningen, in eigendom van de gemeente zelf.