BWBR0007155
Geldig vanaf 2007-11-01
Artikel 9c
Regeling subsidies en uitkeringen cultuuruitingen
1. De minister kan aan een instelling met als kernactiviteit het verzorgen van dansrepertoire een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken, indien de instelling:
a. de beschikking heeft over een podium of een podium bespeelt, dat minimaal 350 zitplaatsen heeft in de regio of de gemeente waar de instelling haar standplaats heeft;
b. haar activiteiten verspreid over het jaar realiseert; en
c. voor haar artistieke continuïteit niet afhankelijk is van één maker of een groep van makers van dans.
2. Aan ten hoogste vijf instellingen kan subsidie worden verstrekt, met dien verstande dat in de regio’s noorden, oosten en zuiden en in de gemeenten Amsterdam en Rotterdam steeds aan één instelling subsidie wordt verstrekt.
a. de beschikking heeft over een podium of een podium bespeelt, dat minimaal 350 zitplaatsen heeft in de regio of de gemeente waar de instelling haar standplaats heeft;
b. haar activiteiten verspreid over het jaar realiseert; en
c. voor haar artistieke continuïteit niet afhankelijk is van één maker of een groep van makers van dans.
2. Aan ten hoogste vijf instellingen kan subsidie worden verstrekt, met dien verstande dat in de regio’s noorden, oosten en zuiden en in de gemeenten Amsterdam en Rotterdam steeds aan één instelling subsidie wordt verstrekt.