BWBR0007104
Geldig vanaf 1995-02-19
Artikel 3
Regeling aanvraag, stage en proeve EG-verklaringen volksgezondheid
1. De minister wint, ingeval de opleiding ten minste een jaar korter is dan de in Nederland bij of krachtens wet voor de toelating vereiste opleiding, dan wel de door de aanvrager gevolgde opleiding betrekking heeft op vakgebieden die wezenlijk verschillen van de in Nederland voorgeschreven opleiding, alvorens te beslissen over een aanvraag tot het verkrijgen van een EG-verklaring met betrekking tot een gereglementeerd volksgezondheidberoep, het advies in van het in artikel 4voor dat beroep genoemde adviesorgaan dan wel de krachtens dat artikel voor het desbetreffende beroep aangewezen deskundigen over de vraag of de aanvrager van een EG-verklaring
a. beroepservaring moet aantonen in de zin van artikel 9 van de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma's onderscheidenlijk artikel 11 van de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen en zo ja van welke duur, dan wel
b. een proeve van bekwaamheid moet afleggen of een aanpassingsstage moet volgen in de zin van artikel 10 van de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma's onderscheidenlijk artikel 12 van de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen.
2. Indien het adviesorgaan het afleggen van een proeve van bekwaamheid dan wel een aanpassingsstage adviseert, bevat het advies tevens een aanduiding van de wezenlijke verschillen waarop de proeve van bekwaamheid onderscheidenlijk de aanpassingsstage betrekking dient te hebben alsmede, in het geval van een aanpassingsstage, een aanduiding van de duur daarvan.
3. Indien de aanvrager beroepservaring heeft aangetoond, kan de minister het adviesorgaan raadplegen over de vraag of deze beroepservaring de in de opleiding ontbrekende periode vermag te compenseren.
4. Indien de aanvrager een proeve van bekwaamheid heeft afgelegd of een aanpassingsstage heeft gevolgd, kan de minister het adviesorgaan raadplegen over de vraag of deze proeve van bekwaamheid onderscheidenlijk deze aanpassingsstage de wezenlijke verschillen vermag te compenseren.
a. beroepservaring moet aantonen in de zin van artikel 9 van de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma's onderscheidenlijk artikel 11 van de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen en zo ja van welke duur, dan wel
b. een proeve van bekwaamheid moet afleggen of een aanpassingsstage moet volgen in de zin van artikel 10 van de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma's onderscheidenlijk artikel 12 van de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen.
2. Indien het adviesorgaan het afleggen van een proeve van bekwaamheid dan wel een aanpassingsstage adviseert, bevat het advies tevens een aanduiding van de wezenlijke verschillen waarop de proeve van bekwaamheid onderscheidenlijk de aanpassingsstage betrekking dient te hebben alsmede, in het geval van een aanpassingsstage, een aanduiding van de duur daarvan.
3. Indien de aanvrager beroepservaring heeft aangetoond, kan de minister het adviesorgaan raadplegen over de vraag of deze beroepservaring de in de opleiding ontbrekende periode vermag te compenseren.
4. Indien de aanvrager een proeve van bekwaamheid heeft afgelegd of een aanpassingsstage heeft gevolgd, kan de minister het adviesorgaan raadplegen over de vraag of deze proeve van bekwaamheid onderscheidenlijk deze aanpassingsstage de wezenlijke verschillen vermag te compenseren.