BWBR0006850
Geldig vanaf 1994-08-26
Artikel 3
Subsidiebesluit Centraal Orgaan opvang asielzoekers
1. Onze Minister beslist binnen dertien weken omtrent de instemming met het activiteitenplan en de begroting en doet het orgaan met inachtneming van artikel 12een beschikking tot subsidieverlening toekomen.
2. In de beschikking tot subsidieverlening wordt in ieder geval medegedeeld:
a. indien het betreft de verlening van een bijdrage voor kosten als bedoeld in artikel 12, eerste lid, het aantal toegekende eenheden per kostengroep als bedoeld in artikel 12, tweede en derde lid, en de vastgestelde normbedragen;
b. indien het betreft bekostiging als bedoeld in artikel 12, zesde lid, de voorlopige bijdrage voor de verschillende kosten, en het maximum bedrag bedoeld in artikel 12, zesde lid, onder a;
c. de hoogte van de maximaal over te hevelen bedragen als bedoeld in artikel 6;
d. de hoogte van de geraamde inkomsten die, overeenkomstig artikel 12, achtste lid, in mindering op de voorlopige bijdrage zijn gebracht; en
e. de hoogte van het voorschot en de wijze waarop zal worden bevoorschot.
3. Indien het orgaan een aanvullende begroting als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de wet indient deelt de minister uiterlijk binnen drie maanden na ontvangst van de aanvullende begroting aan het orgaan mee welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen en doet de minister het orgaan een beschikking tot subsidieverlening toekomen. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
2. In de beschikking tot subsidieverlening wordt in ieder geval medegedeeld:
a. indien het betreft de verlening van een bijdrage voor kosten als bedoeld in artikel 12, eerste lid, het aantal toegekende eenheden per kostengroep als bedoeld in artikel 12, tweede en derde lid, en de vastgestelde normbedragen;
b. indien het betreft bekostiging als bedoeld in artikel 12, zesde lid, de voorlopige bijdrage voor de verschillende kosten, en het maximum bedrag bedoeld in artikel 12, zesde lid, onder a;
c. de hoogte van de maximaal over te hevelen bedragen als bedoeld in artikel 6;
d. de hoogte van de geraamde inkomsten die, overeenkomstig artikel 12, achtste lid, in mindering op de voorlopige bijdrage zijn gebracht; en
e. de hoogte van het voorschot en de wijze waarop zal worden bevoorschot.
3. Indien het orgaan een aanvullende begroting als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de wet indient deelt de minister uiterlijk binnen drie maanden na ontvangst van de aanvullende begroting aan het orgaan mee welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen en doet de minister het orgaan een beschikking tot subsidieverlening toekomen. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.