BWBR0006837
Geldig vanaf 1994-07-31
Artikel 10
Samenwerkingsregeling bestrijding terroristische misdrijven
1. Indien uit de ter beschikking staande gegevens komt vast te staan op welke plaats een terroristisch misdrijf vermoedelijk zal worden gepleegd dan wel een terroristisch misdrijf op een bepaalde plaats is gepleegd, doet het hoofd van de Dienst Bijzondere Recherchezaken daarvan ten spoedigste mededeling aan de landelijk officier van justitie en de verantwoordelijke politiefunctionaris.
2. In opdracht van de landelijk officier van justitie pleegt het hoofd van de Dienst Bijzondere Recherchezaken alsdan met de verantwoordelijke politiefunctionaris overleg over de mate waarin en de wijze waarop door de Dienst Bijzondere Recherchezaken hulp bij het opsporingsonderzoek zal worden verleend. De uitkomst van dit overleg wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de landelijk officier van justitie.
3. De verantwoordelijke politiefunctionaris doet zich in een onderzoek waarbij door de Dienst Bijzondere Recherchezaken assistentie wordt verleend, bijstaan en adviseren door het hoofd van de Dienst Bijzondere Recherchezaken.
4. De verantwoordelijke politiefunctionaris kan, onder zijn verantwoordelijkheid en na overleg met het bevoegd gezag, het hoofd van de Dienst Bijzondere Recherchezaken met de feitelijke leiding van het onderzoek belasten.
5. De verantwoordelijke politiefunctionaris verleent het hoofd van de Dienst Bijzondere Recherchezaken alle medewerking die noodzakelijk is voor een goede vervulling van diens taak.
6. Onafhankelijk van de mate waarin of de wijze waarop assistentie wordt verleend, worden de ambtenaren van de Dienst Bijzondere Recherchezaken door de verantwoordelijke politiefunctionaris in de gelegenheid gesteld verhoren door de ter plaatse met het onderzoek belaste opsporingsambtenaren desgewenst bij te wonen dan wel zich over de resultaten daarvan te informeren.
2. In opdracht van de landelijk officier van justitie pleegt het hoofd van de Dienst Bijzondere Recherchezaken alsdan met de verantwoordelijke politiefunctionaris overleg over de mate waarin en de wijze waarop door de Dienst Bijzondere Recherchezaken hulp bij het opsporingsonderzoek zal worden verleend. De uitkomst van dit overleg wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de landelijk officier van justitie.
3. De verantwoordelijke politiefunctionaris doet zich in een onderzoek waarbij door de Dienst Bijzondere Recherchezaken assistentie wordt verleend, bijstaan en adviseren door het hoofd van de Dienst Bijzondere Recherchezaken.
4. De verantwoordelijke politiefunctionaris kan, onder zijn verantwoordelijkheid en na overleg met het bevoegd gezag, het hoofd van de Dienst Bijzondere Recherchezaken met de feitelijke leiding van het onderzoek belasten.
5. De verantwoordelijke politiefunctionaris verleent het hoofd van de Dienst Bijzondere Recherchezaken alle medewerking die noodzakelijk is voor een goede vervulling van diens taak.
6. Onafhankelijk van de mate waarin of de wijze waarop assistentie wordt verleend, worden de ambtenaren van de Dienst Bijzondere Recherchezaken door de verantwoordelijke politiefunctionaris in de gelegenheid gesteld verhoren door de ter plaatse met het onderzoek belaste opsporingsambtenaren desgewenst bij te wonen dan wel zich over de resultaten daarvan te informeren.