1. Voor een bijdrage ter zake van kwaliteitsverlies komen in aanmerking natuurlijke- of rechtspersonen,
a. die in 1993 in het schadegebied een landbouwbedrijf voor eigen rekening en risico exploiteerden, waarop blijkens de gegevens van de landbouwtelling 1993 tenminste 5 ha aardappelen of 2,5 ha groenten en bloemen zijn geteeld, en
waarop blijkens de gegevens van de landbouwtellingen, gehouden in de referentieperiode, in elk jaar van die periode een of meer schadegewassen zijn geteeld;
waarop blijkens de gegevens van de landbouwtelling 1993 tenminste 5 ha aardappelen of 2,5 ha groenten en bloemen zijn geteeld, en
waarop blijkens de gegevens van de landbouwtellingen, gehouden in de referentieperiode, in elk jaar van die periode een of meer schadegewassen zijn geteeld;
b. die kwaliteitsverlies hebben geleden met betrekking tot een hoeveelheid consumptie-, poot- of fabrieksaardappelen, die overeenkomstig het derde lid omgerekend naar oppervlakten meer dan 30% uitmaakt van het totale areaal, dat blijkens de gegevens van de landbouwtelling 1993 op het betrokken bedrijf met die categorie aardappelen beteeld is, en die in de betrokken categorie geen schade hebben geleden.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b, komen tevens in aanmerking voor een bijdrage natuurlijke- of rechtspersonen,
a. die kwaliteitsverlies hebben geleden met betrekking tot een categorie aardappelen ten aanzien waarvan tevens overeenkomstig artikel 3 is vastgesteld dat meer dan 30% van het totale areaal, dat blijkens de gegevens van de landbouwtelling 1993 op het betrokken bedrijf met die categorie aardappelen beteeld is, niet kon worden geoogst, dan wel
b. die kwaliteitsverlies hebben geleden met betrekking tot een categorie aardappelen, waarin zij tevens aantoonbaar schade hebben geleden, indien de hoeveelheid, met betrekking tot welke kwaliteitsverlies is geleden, omgerekend naar oppervlakten overeenkomstig het derde lid, tesamen met de niet-geoogste oppervlakte meer dan 30% uitmaakt van het totale areaal, dat blijkens de gegevens van de landbouwtelling 1993 op het betrokken bedrijf met die categorie aardappelen beteeld is.
3. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, en het tweede lid, onderdeel b, geldt voor de omrekening van hoeveelheden consumptie-, poot- of fabrieksaardappelen naar oppervlakten dat gelijk is met 1 ha:
52,5 ton consumptie-aardappelen;
47 ton fabrieksaardappelen;
35,7 ton pootaardappelen.
4. Voor de toepassing van de voorgaande leden worden oppervlakten afgekeurde pootaardappelen in mindering gebracht op het volgens de gegevens van de landbouwtelling in 1993 geteelde areaal pootaardappelen, en toegevoegd aan het areaal dat bij de landbouwtelling 1993 is opgegeven voor consumptie- dan wel fabrieksaardappelen, naar gelang de bestemming die na de afkeuring als pootgoed aan deze aardappelen is gegeven.