BWBR0006775
Geldig vanaf 1994-07-01
Artikel 3
Regeling belegging technische voorzieningen verzekeringsbedrijf 1994
1. De waarden tot dekking van de technische voorzieningen worden, ten opzichte van het totaal van de technische voorzieningen, per categorie van activa als bedoeld in artikel 2verdeeld met inachtneming van de volgende maxima:
a. leningen aan ondernemingen en instellingen, niet zijnde een in een lidstaat gevestigde kredietinstelling, verzekeraar of beleggingsinstelling, voor zover deze leningen niet zijn voorzien van een garantie, hypotheek of andere zekerheid: vijf procent voor het totaal van deze leningen;
b. kasmiddelen: drie procent;
c. aandelen, andere met aandelen gelijk te stellen niet-vastrentende waardepapieren, obligaties en andere geld- en kapitaalmarktinstrumenten, voor zover deze effecten niet op een gereglementeerde markt worden verhandeld: tien procent voor het totaal van deze effecten.
2. De waarden tot dekking van de technische voorzieningen worden, ten opzichte van het totaal van de technische voorzieningen, per individueel actief als bedoeld in artikel 2verdeeld met inachtneming van de volgende maxima:
a. één bepaald gebouw of terrein dan wel een complex van verschillende gebouwen of terreinen dat als één belegging kan worden beschouwd: tien procent per object;
b. één bepaalde lening aan een onderneming of instelling, niet zijnde een in een lid-staat gevestigde kredietinstelling, verzekeraar of beleggingsinstelling, voor zover deze lening niet is voorzien van een garantie, hypotheek of andere zekerheid: een procent per lening.
3. De waarden tot dekking van de technische voorzieningen bestaan, ten opzichte van het totaal van de technische voorzieningen, voor maximaal vijf procent uit aandelen, andere met aandelen gelijk te stellen niet-vastrentende waardepapieren, obligaties en andere geld en kapitaalmarktinstrumenten uitgegeven door één bepaalde emittent of uit leningen aan één bepaalde kredietnemer, te zamen genomen. Waardepapieren uitgegeven of gegarandeerd door onderscheidenlijk leningen aan of gegarandeerd door centrale, regionale of lokale overheden of internationale instellingen of organisaties waarvan een of meer lid-staten deel uitmaken, blijven hierbij buiten beschouwing.
4. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan op verzoek van een levensverzekeraar het maximum, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, verhogen tot acht procent van de technische voorzieningen en het maximum, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, tot twee procent van de technische voorzieningen indien: zij van oordeel is dat de belangen van de verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen zich daartegen niet verzetten.
5. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan bepalen dat voor de toepassing van het derde lid met een overheid wordt gelijk gesteld een kredietinstelling met zetel in Nederland, waarvan de aandelen in handen zijn van de Nederlandse Staat of Nederlandse provincies, gemeenten, waterschappen of andere openbare lichamen als bedoeld in artikel 134 van de Grondweten waarvan de werkzaamheden statutair bestaan in het door haar tussenkomst verstrekken van leningen aan, of met garantie van de Nederlandse Staat of andere overheden, dan wel het verstrekken van leningen aan nauw met de Nederlandse Staat of de lokale overheden verbonden instanties.
6. Het maximum, bedoeld in het derde lid, wordt gesteld op tien procent van de technische voorzieningen mits de waarden tot dekking van de technische voorzieningen voor niet meer dan veertig procent bestaan uit leningen aan of waardepapieren van kredietnemers en emittenten waarin de verzekeraar meer dan vijf procent van zijn activa heeft belegd.
a. leningen aan ondernemingen en instellingen, niet zijnde een in een lidstaat gevestigde kredietinstelling, verzekeraar of beleggingsinstelling, voor zover deze leningen niet zijn voorzien van een garantie, hypotheek of andere zekerheid: vijf procent voor het totaal van deze leningen;
b. kasmiddelen: drie procent;
c. aandelen, andere met aandelen gelijk te stellen niet-vastrentende waardepapieren, obligaties en andere geld- en kapitaalmarktinstrumenten, voor zover deze effecten niet op een gereglementeerde markt worden verhandeld: tien procent voor het totaal van deze effecten.
2. De waarden tot dekking van de technische voorzieningen worden, ten opzichte van het totaal van de technische voorzieningen, per individueel actief als bedoeld in artikel 2verdeeld met inachtneming van de volgende maxima:
a. één bepaald gebouw of terrein dan wel een complex van verschillende gebouwen of terreinen dat als één belegging kan worden beschouwd: tien procent per object;
b. één bepaalde lening aan een onderneming of instelling, niet zijnde een in een lid-staat gevestigde kredietinstelling, verzekeraar of beleggingsinstelling, voor zover deze lening niet is voorzien van een garantie, hypotheek of andere zekerheid: een procent per lening.
3. De waarden tot dekking van de technische voorzieningen bestaan, ten opzichte van het totaal van de technische voorzieningen, voor maximaal vijf procent uit aandelen, andere met aandelen gelijk te stellen niet-vastrentende waardepapieren, obligaties en andere geld en kapitaalmarktinstrumenten uitgegeven door één bepaalde emittent of uit leningen aan één bepaalde kredietnemer, te zamen genomen. Waardepapieren uitgegeven of gegarandeerd door onderscheidenlijk leningen aan of gegarandeerd door centrale, regionale of lokale overheden of internationale instellingen of organisaties waarvan een of meer lid-staten deel uitmaken, blijven hierbij buiten beschouwing.
4. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan op verzoek van een levensverzekeraar het maximum, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, verhogen tot acht procent van de technische voorzieningen en het maximum, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, tot twee procent van de technische voorzieningen indien: zij van oordeel is dat de belangen van de verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen zich daartegen niet verzetten.
5. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan bepalen dat voor de toepassing van het derde lid met een overheid wordt gelijk gesteld een kredietinstelling met zetel in Nederland, waarvan de aandelen in handen zijn van de Nederlandse Staat of Nederlandse provincies, gemeenten, waterschappen of andere openbare lichamen als bedoeld in artikel 134 van de Grondweten waarvan de werkzaamheden statutair bestaan in het door haar tussenkomst verstrekken van leningen aan, of met garantie van de Nederlandse Staat of andere overheden, dan wel het verstrekken van leningen aan nauw met de Nederlandse Staat of de lokale overheden verbonden instanties.
6. Het maximum, bedoeld in het derde lid, wordt gesteld op tien procent van de technische voorzieningen mits de waarden tot dekking van de technische voorzieningen voor niet meer dan veertig procent bestaan uit leningen aan of waardepapieren van kredietnemers en emittenten waarin de verzekeraar meer dan vijf procent van zijn activa heeft belegd.