BWBR0006759
Geldig vanaf 1998-05-15
Artikel 4
Bekostigingsbesluit cultuuruitingen
1. Op de verlening van een specifieke uitkering als bedoeld in artikel 40is artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrechtvan overeenkomstige toepassing.
2. De subsidieverlening of de verlening van een specifieke uitkering als bedoeld in artikel 40wordt geweigerd voor zover Onze Minister van oordeel is dat het verstrekken daarvan zijn beleid dat is neergelegd in de nota’s die van belang zijn voor het cultuurbeleid of in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 4a van de wet, of dat met toepassing van artikel 2openbaar is gemaakt, mede gelet op de beschikbare financiële middelen, niet of onvoldoende ondersteunt.
3. De subsidieverlening wordt voorts geweigerd voor zover:
a. naar het oordeel van Onze Minister mag worden verwacht dat de met de subsidieverlening beoogde doeleinden niet zullen worden bereikt;
b. de aanvrager naar het oordeel van Onze Minister de behoefte aan subsidie niet heeft aangetoond, tenzij de aanvrager een publiekrechtelijke rechtspersoon is;
c. de aanvrager niet aannemelijk heeft gemaakt dat de financiële middelen met inbegrip van subsidie voldoende zullen zijn om de voorgenomen activiteiten uit te voeren.
4. Onze Minister kan bepalen dat in een geval of een categorie gevallen de behoefte aan subsidie niet behoeft te worden aangetoond.
2. De subsidieverlening of de verlening van een specifieke uitkering als bedoeld in artikel 40wordt geweigerd voor zover Onze Minister van oordeel is dat het verstrekken daarvan zijn beleid dat is neergelegd in de nota’s die van belang zijn voor het cultuurbeleid of in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 4a van de wet, of dat met toepassing van artikel 2openbaar is gemaakt, mede gelet op de beschikbare financiële middelen, niet of onvoldoende ondersteunt.
3. De subsidieverlening wordt voorts geweigerd voor zover:
a. naar het oordeel van Onze Minister mag worden verwacht dat de met de subsidieverlening beoogde doeleinden niet zullen worden bereikt;
b. de aanvrager naar het oordeel van Onze Minister de behoefte aan subsidie niet heeft aangetoond, tenzij de aanvrager een publiekrechtelijke rechtspersoon is;
c. de aanvrager niet aannemelijk heeft gemaakt dat de financiële middelen met inbegrip van subsidie voldoende zullen zijn om de voorgenomen activiteiten uit te voeren.
4. Onze Minister kan bepalen dat in een geval of een categorie gevallen de behoefte aan subsidie niet behoeft te worden aangetoond.