BWBR0006738
Geldig vanaf 2015-01-01
Artikel 20
Rechtspositiebesluit commissarissen van de Koning
1. Anders dan op eigen aanvraag kan aan de commissaris ontslag worden verleend op grond van:
a. ongeschiktheid wegens ziekte voor het vervullen van zijn ambt;
b. onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan uit hoofde van ziekten of gebreken;
c. andere gronden.
2. Het ontslag op grond van het eerste lid, onder a en b, van dit artikelwordt eervol verleend. Het ontslag op grond van het eerste lid, onder c, wordt eervol verleend, tenzij naar het oordeel van Onze Minister zwaarwichtige redenen zich daartegen verzetten.
3. Een ontslag als bedoeld in onderdeel a van het eerste lid, kan slechts plaatsvinden indien:
a. er sprake is van ongeschiktheid tot het vervullen van zijn ambt wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van zes maanden,
b. herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel a genoemde termijn van zes maanden te verwachten is.
4. Bij de beoordeling of er sprake is van een situatie, als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, wordt een medisch onderzoek ingesteld door een of meer door Onze Minister aangewezen geneeskundigen, en, indien de commissaris dit wenst, een door de commissaris aangewezen geneeskundige. De commissaris is verplicht medewerking te verlenen aan het onderzoek en wordt schriftelijk in kennis gesteld van het starten van het onderzoek en de in de vorige zin bedoelde mogelijkheid. Indien de commissaris geen medewerking verleent, is de in het derde lid, onder b, genoemde voorwaarde niet van toepassing.
5. Voordat Onze Minister het ontslag op grond van het eerste lid, onderdeel a, verleent, onderzoekt hij of het mogelijk is de commissaris na zijn ontslag binnen zijn gezagsbereik andere arbeid aan te bieden.
6. Niet-herbenoeming vindt, behoudens in bijzondere omstandigheden, niet plaats dan nadat de commissaris in de gelegenheid is gesteld door Onze Minister te worden gehoord.
a. ongeschiktheid wegens ziekte voor het vervullen van zijn ambt;
b. onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan uit hoofde van ziekten of gebreken;
c. andere gronden.
2. Het ontslag op grond van het eerste lid, onder a en b, van dit artikelwordt eervol verleend. Het ontslag op grond van het eerste lid, onder c, wordt eervol verleend, tenzij naar het oordeel van Onze Minister zwaarwichtige redenen zich daartegen verzetten.
3. Een ontslag als bedoeld in onderdeel a van het eerste lid, kan slechts plaatsvinden indien:
a. er sprake is van ongeschiktheid tot het vervullen van zijn ambt wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van zes maanden,
b. herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel a genoemde termijn van zes maanden te verwachten is.
4. Bij de beoordeling of er sprake is van een situatie, als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, wordt een medisch onderzoek ingesteld door een of meer door Onze Minister aangewezen geneeskundigen, en, indien de commissaris dit wenst, een door de commissaris aangewezen geneeskundige. De commissaris is verplicht medewerking te verlenen aan het onderzoek en wordt schriftelijk in kennis gesteld van het starten van het onderzoek en de in de vorige zin bedoelde mogelijkheid. Indien de commissaris geen medewerking verleent, is de in het derde lid, onder b, genoemde voorwaarde niet van toepassing.
5. Voordat Onze Minister het ontslag op grond van het eerste lid, onderdeel a, verleent, onderzoekt hij of het mogelijk is de commissaris na zijn ontslag binnen zijn gezagsbereik andere arbeid aan te bieden.
6. Niet-herbenoeming vindt, behoudens in bijzondere omstandigheden, niet plaats dan nadat de commissaris in de gelegenheid is gesteld door Onze Minister te worden gehoord.