BWBR0006670
Geldig vanaf 1998-04-29
Artikel 4
Wet stimulering arbeidsdeelname minderheden
1. De werkgever legt een afzonderlijke persoonsregistratie aan waarin geen andere persoonsgegevens van de werknemers zijn opgenomen dan:
a. naam en voorletter(s);
b. geboorteland;
c. geboorteland van de ouders;
d. voorzover van toepassing het feit of betrokkene, of één dan wel beide ouders van betrokkene, is opgenomen in het register, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet Rietkerk-uitkering;
e. het, uit de gegevens onder b, c en d voortvloeiende, al dan niet behoren tot de doelgroep van deze wet;
f. het functieniveau;
g. het al dan niet werkzaam zijn op basis van een volledige dienstbetrekking of aanstelling.
2. In afwijking van het eerste lid, onder e, kan de werkgever beslissen bij het aanleggen van zijn persoonsregistratie rekening te houden met de verklaring van de werknemer, bedoeld in het derde lid.
3. Indien bij toepassing van het tweede lid het geboorteland van de werknemer niet overeenkomt met het geboorteland van één dan wel van zijn beide ouders en het al dan niet behoren tot de doelgroep van deze wet daarvan afhankelijk is, kan de werknemer verklaren of hij al of niet tot de doelgroep wenst te behoren. Met het geboorteland wordt gelijkgesteld het register, bedoeld in het eerste lid, onder d.
4. De werknemer verstrekt aan zijn werkgever de in het eerste lid, onder a tot en met d, genoemde gegevens, tenzij hij schriftelijk heeft verklaard daartegen bezwaar te hebben.
5. De werkgever vernietigt de in het eerste lid, onder a tot en met d, en derde lid, genoemde gegevens van een werknemer zo spoedig mogelijk nadat de werknemer daartoe een schriftelijk verzoek heeft ingediend.
6. De persoonsregistratie wordt voor geen ander doel gebruikt dan voor het voldoen aan de verplichtingen die deze wet stelt.
7. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld ter uitwerking van het eerste en tweede lid.
a. naam en voorletter(s);
b. geboorteland;
c. geboorteland van de ouders;
d. voorzover van toepassing het feit of betrokkene, of één dan wel beide ouders van betrokkene, is opgenomen in het register, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet Rietkerk-uitkering;
e. het, uit de gegevens onder b, c en d voortvloeiende, al dan niet behoren tot de doelgroep van deze wet;
f. het functieniveau;
g. het al dan niet werkzaam zijn op basis van een volledige dienstbetrekking of aanstelling.
2. In afwijking van het eerste lid, onder e, kan de werkgever beslissen bij het aanleggen van zijn persoonsregistratie rekening te houden met de verklaring van de werknemer, bedoeld in het derde lid.
3. Indien bij toepassing van het tweede lid het geboorteland van de werknemer niet overeenkomt met het geboorteland van één dan wel van zijn beide ouders en het al dan niet behoren tot de doelgroep van deze wet daarvan afhankelijk is, kan de werknemer verklaren of hij al of niet tot de doelgroep wenst te behoren. Met het geboorteland wordt gelijkgesteld het register, bedoeld in het eerste lid, onder d.
4. De werknemer verstrekt aan zijn werkgever de in het eerste lid, onder a tot en met d, genoemde gegevens, tenzij hij schriftelijk heeft verklaard daartegen bezwaar te hebben.
5. De werkgever vernietigt de in het eerste lid, onder a tot en met d, en derde lid, genoemde gegevens van een werknemer zo spoedig mogelijk nadat de werknemer daartoe een schriftelijk verzoek heeft ingediend.
6. De persoonsregistratie wordt voor geen ander doel gebruikt dan voor het voldoen aan de verplichtingen die deze wet stelt.
7. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld ter uitwerking van het eerste en tweede lid.