BWBR0006645
Geldig vanaf 1994-05-01
Artikel 9
Organisatie- en mandaatbesluit KFD 1994.
1. Het mandaat op het gebied van de personeelsaangelegenheden omvat het nemen van besluiten over en het vaststellen en ondertekenen van stukken die betrekking hebben op:
a. de toepassing van de Ambtenarenwet, het Algemeen rijksambtenarenreglement (ARAR) en het Arbeidsovereenkomstenbesluit (AOB) 1Het AOB zal met ingang van 1 januari 1995 zijn ingetrokken., met uitzondering van: 1º. de ontslagverlening op grond van artikel 125e van de Ambtenarenwet (ontslagverlening van een in een vertrouwensfunctie aangestelde ambtenaar van wie moet worden betwijfeld of hij zijn plicht als ambtenaar onder alle omstandigheden getrouwelijk zal volbrengen);
2º. de toepassing van de Ambtenarenwet en het ARAR ten aanzien van ambtenaren die bij koninklijk besluit worden aangesteld, in welk geval de directeur van de KFD verantwoordelijk is voor de voorbereidende werkzaamheden voor de totstandkoming van een dergelijk koninklijk besluit of voor een door de secretaris-generaal of de verantwoordelijke bewindspersoon te nemen besluit of vast te stellen stuk;
3º. de toepassing van artikel 123 van het ARAR (de instelling van dienstcommissies);
4º. de toepassing van de bepalingen van Hoofdstuk XIA van het ARAR voor zover daarin sprake is van een beslissing van ‘Onze Minister’;
1º. de ontslagverlening op grond van artikel 125e van de Ambtenarenwet (ontslagverlening van een in een vertrouwensfunctie aangestelde ambtenaar van wie moet worden betwijfeld of hij zijn plicht als ambtenaar onder alle omstandigheden getrouwelijk zal volbrengen);
2º. de toepassing van de Ambtenarenwet en het ARAR ten aanzien van ambtenaren die bij koninklijk besluit worden aangesteld, in welk geval de directeur van de KFD verantwoordelijk is voor de voorbereidende werkzaamheden voor de totstandkoming van een dergelijk koninklijk besluit of voor een door de secretaris-generaal of de verantwoordelijke bewindspersoon te nemen besluit of vast te stellen stuk;
3º. de toepassing van artikel 123 van het ARAR (de instelling van dienstcommissies);
4º. de toepassing van de bepalingen van Hoofdstuk XIA van het ARAR voor zover daarin sprake is van een beslissing van ‘Onze Minister’;
b. de toepassing van de op de Ambtenarenwet en het ARAR gebaseerde regelgeving, zoals het Verplaatsingskostenbesluit 1989, het Reisbesluit Binnenland en het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984;
c. de vaststelling van de formatie tot en met salarisschaal 13.
2. De uitoefening van de in het eerste lid genoemde bevoegdheden geschiedt met inachtneming van de volgende procedureregels:
a. De directeur van de KFD geeft kennis aan de Centrale Directie Personeelsmanagement (CDPM) van de algemene en individuele aangelegenheden welke aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken moeten worden voorgelegd. Terzake kunnen afzonderlijke procedureregelingen worden getroffen die per onderwerp kunnen verschillen.
b. De directeur van de KFD legt voornemens voor ontslag op grond van artikel 96 van het ARAR voor advies voor aan de CDPM.
c. De directeur van de KFD draagt zorg voor de administratieve en financiële afhandeling van de uitvoering van de personeelsaangelegenheden, voor zover deze niet is opgedragen aan anderen zoals de CDPM, de Centrale Directie Financieel-economische Zaken, de Rijks Bedrijfsgezondheids- en Bedrijfsveiligheidsdienst en het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds.
3. Een gemandateerde kan geen besluiten nemen en stukken vaststellen en ondertekenen die betrekking hebben op hemzelf.
a. de toepassing van de Ambtenarenwet, het Algemeen rijksambtenarenreglement (ARAR) en het Arbeidsovereenkomstenbesluit (AOB) 1Het AOB zal met ingang van 1 januari 1995 zijn ingetrokken., met uitzondering van: 1º. de ontslagverlening op grond van artikel 125e van de Ambtenarenwet (ontslagverlening van een in een vertrouwensfunctie aangestelde ambtenaar van wie moet worden betwijfeld of hij zijn plicht als ambtenaar onder alle omstandigheden getrouwelijk zal volbrengen);
2º. de toepassing van de Ambtenarenwet en het ARAR ten aanzien van ambtenaren die bij koninklijk besluit worden aangesteld, in welk geval de directeur van de KFD verantwoordelijk is voor de voorbereidende werkzaamheden voor de totstandkoming van een dergelijk koninklijk besluit of voor een door de secretaris-generaal of de verantwoordelijke bewindspersoon te nemen besluit of vast te stellen stuk;
3º. de toepassing van artikel 123 van het ARAR (de instelling van dienstcommissies);
4º. de toepassing van de bepalingen van Hoofdstuk XIA van het ARAR voor zover daarin sprake is van een beslissing van ‘Onze Minister’;
1º. de ontslagverlening op grond van artikel 125e van de Ambtenarenwet (ontslagverlening van een in een vertrouwensfunctie aangestelde ambtenaar van wie moet worden betwijfeld of hij zijn plicht als ambtenaar onder alle omstandigheden getrouwelijk zal volbrengen);
2º. de toepassing van de Ambtenarenwet en het ARAR ten aanzien van ambtenaren die bij koninklijk besluit worden aangesteld, in welk geval de directeur van de KFD verantwoordelijk is voor de voorbereidende werkzaamheden voor de totstandkoming van een dergelijk koninklijk besluit of voor een door de secretaris-generaal of de verantwoordelijke bewindspersoon te nemen besluit of vast te stellen stuk;
3º. de toepassing van artikel 123 van het ARAR (de instelling van dienstcommissies);
4º. de toepassing van de bepalingen van Hoofdstuk XIA van het ARAR voor zover daarin sprake is van een beslissing van ‘Onze Minister’;
b. de toepassing van de op de Ambtenarenwet en het ARAR gebaseerde regelgeving, zoals het Verplaatsingskostenbesluit 1989, het Reisbesluit Binnenland en het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984;
c. de vaststelling van de formatie tot en met salarisschaal 13.
2. De uitoefening van de in het eerste lid genoemde bevoegdheden geschiedt met inachtneming van de volgende procedureregels:
a. De directeur van de KFD geeft kennis aan de Centrale Directie Personeelsmanagement (CDPM) van de algemene en individuele aangelegenheden welke aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken moeten worden voorgelegd. Terzake kunnen afzonderlijke procedureregelingen worden getroffen die per onderwerp kunnen verschillen.
b. De directeur van de KFD legt voornemens voor ontslag op grond van artikel 96 van het ARAR voor advies voor aan de CDPM.
c. De directeur van de KFD draagt zorg voor de administratieve en financiële afhandeling van de uitvoering van de personeelsaangelegenheden, voor zover deze niet is opgedragen aan anderen zoals de CDPM, de Centrale Directie Financieel-economische Zaken, de Rijks Bedrijfsgezondheids- en Bedrijfsveiligheidsdienst en het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds.
3. Een gemandateerde kan geen besluiten nemen en stukken vaststellen en ondertekenen die betrekking hebben op hemzelf.