BWBR0006174
Geldig vanaf 2014-12-09
Artikel 2
Regeling storing radioverbinding tijdens een gecontroleerde vlucht
1. Indien het luchtvaartuig zich bevindt in zichtweersomstandigheden worden de volgende voorschriften in acht genomen:
a. de vlucht wordt voortgezet in zichtweersomstandigheden;
b. worden geland op het dichtstbijzijnde daarvoor geschikte luchtvaartterrein;
c. de aankomst op de snelst mogelijke wijze worden gemeld aan de betrokken luchtverkeersleidingsdienst.
2. Indien het luchtvaartuig zich bevindt in instrumentweersomstandigheden, of indien de weersomstandigheden zodanig zijn, dat het niet doenlijk lijkt de vlucht voort te zetten in zichtweersomstandigheden, worden de volgende voorschriften in acht genomen:
a. de vlucht wordt in overeenstemming met het geldende vliegplan voortgezet naar het daartoe aangewezen navigatiehulpmiddel van het luchtvaartterrein van bestemming;
b. zo nodig wordt boven dit hulpmiddel gewacht tot de aanvang van de daling;
c. de daling wordt vanaf het onder a. genoemde hulpmiddel aangevangen op of zo dicht mogelijk bij de verwachte naderingstijd zoals die het laatst is ontvangen en bevestigd dan wel, indien geen verwachte naderingstijd is ontvangen en bevestigd, op of zo dicht mogelijk bij de geschatte aankomsttijd volgens het geldende vliegplan;
d. de instrument-naderingsprocedure wordt uitgevoerd zoals voorgeschreven voor het betreffende navigatiehulpmiddel;
e. zo mogelijk worden geland binnen 30 minuten na de geschatte aankomsttijd of na de laatst bevestigde verwachte naderingstijd als dat tijdstip later valt.
a. de vlucht wordt voortgezet in zichtweersomstandigheden;
b. worden geland op het dichtstbijzijnde daarvoor geschikte luchtvaartterrein;
c. de aankomst op de snelst mogelijke wijze worden gemeld aan de betrokken luchtverkeersleidingsdienst.
2. Indien het luchtvaartuig zich bevindt in instrumentweersomstandigheden, of indien de weersomstandigheden zodanig zijn, dat het niet doenlijk lijkt de vlucht voort te zetten in zichtweersomstandigheden, worden de volgende voorschriften in acht genomen:
a. de vlucht wordt in overeenstemming met het geldende vliegplan voortgezet naar het daartoe aangewezen navigatiehulpmiddel van het luchtvaartterrein van bestemming;
b. zo nodig wordt boven dit hulpmiddel gewacht tot de aanvang van de daling;
c. de daling wordt vanaf het onder a. genoemde hulpmiddel aangevangen op of zo dicht mogelijk bij de verwachte naderingstijd zoals die het laatst is ontvangen en bevestigd dan wel, indien geen verwachte naderingstijd is ontvangen en bevestigd, op of zo dicht mogelijk bij de geschatte aankomsttijd volgens het geldende vliegplan;
d. de instrument-naderingsprocedure wordt uitgevoerd zoals voorgeschreven voor het betreffende navigatiehulpmiddel;
e. zo mogelijk worden geland binnen 30 minuten na de geschatte aankomsttijd of na de laatst bevestigde verwachte naderingstijd als dat tijdstip later valt.