Bij een storing in de lucht-grond verbinding worden de volgende handelingen verricht:
a. Indien een luchtvaartuig op de aangewezen radiofrequentie geen verbinding kan maken met de betrokken luchtverkeersleidingsdienst, wordt getracht verbinding te maken op een andere frequentie die op de route toepasselijk is. Indien dit niet leidt tot herstel van de radioverbinding wordt getracht verbinding te maken met andere luchtvaartuigen of andere luchtverkeersleidingsdiensten op een voor de route toepasselijke frequentie. Bovendien luistert een luchtvaartuig, dat werkt in een netwerk van radioverbindingen, op de toepasselijke VHF-frequentie naar zich in de nabijheid bevindende luchtvaartuigen.
b. Indien de onder a. voorgeschreven handelingen niet leiden tot herstel van de radioverbinding zendt het luchtvaartuig zijn bericht tweemaal op de aangewezen frequentie(s) uit, voorafgegaan door: ‘TRANSMITTING BLIND’ en zonodig onder toevoeging van een of meer geadresseerden.
c. Bij het werken in een netwerk wordt een bericht dat ‘blind’ wordt uitgezonden zowel op de primaire als op de secundaire frequenties tweemaal uitgezonden. Een frequentieverandering wordt voorafgegaan door een aankondiging van het luchtvaartuig naar welke frequentie het verandert.
d. Indien een luchtvaartuig niet in staat is verbinding te maken vanwege een storing in de ontvanger, vinden meldingen op de vastgestelde tijden, dan wel positiemeldingen, op de aangewezen radiofrequentie plaats, voorafgegaan door: ‘TRANSMITTING BLIND DUE TO RECEIVER FAILURE’. Het bedoelde bericht wordt volledig herhaald; tijdens deze procedure wordt tevens de tijd van de volgende voorgenomen uitzending aangegeven.
e. Onverminderd het vierde lid zendt de gezagvoerder de gegevens met betrekking tot de voortzetting van de vlucht uit.
f. Indien, als gevolg van een in de lucht ontstaan defect aan de apparatuur, een luchtvaartuig niet in staat is radioverbinding tot stand te brengen, selecteert het, indien het daartoe uitgerust is, de voor radiostoring toepasselijke SSR-code.