BWBR0006169
Geldig vanaf 1994-04-01
Artikel 5
Wet voorzieningen gehandicapten
1. De verordening, bedoeld in artikel 2, eerste lid, bevat in ieder geval regels met betrekking tot:
a. de gevallen en de vorm waarin voorzieningen kunnen worden verleend, waarbij wordt bepaald dat woonvoorzieningen waarvan de kosten gelijk zijn aan of meer bedragen dan € 45 378 niet worden verleend, tenzij weigering van die voorziening gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard;
b. de hoogte van de financiële tegemoetkomingen;
c. de procedure met betrekking tot de toekenning, de herziening, de beëindiging en de terugvordering van voorzieningen, daaronder begrepen het inwinnen van deskundigenadvies;
d. de gronden waarop voorzieningen kunnen worden beëindigd, dan wel teruggevorderd.
2. De hoogte van de financiële tegemoetkomingen kan worden afgestemd op het inkomen van de gehandicapte en zijn echtgenoot. Ten aanzien van de vaststelling van het inkomen van de gehandicapte die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, kan in aanmerking worden genomen het gezamenlijk inkomen van de ouders van de gehandicapte, dan wel indien de gehandicapte een pleegkind is, het gezamenlijk inkomen van de pleegouders indien laatstgenoemden het pleegkind als een eigen kind opvoeden en onderhouden.
3. Een financiële tegemoetkoming voor een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte wordt verleend aan de eigenaar van de woonruimte.
4. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, regels stellen met betrekking tot de financiële tegemoetkomingen.
5. Op de financiële tegemoetkomingen is <a href="/wet/BWBR0005537" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht</a>niet van toepassing.
6. Het bedrag, genoemd in het eerste lid, onder a, kan door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, met ingang van een kalenderjaar worden gewijzigd, indien daartoe aanleiding bestaat als gevolg van de ontwikkeling van de prijzen van bouwkundige of woontechnische ingrepen in of aan de woning.
a. de gevallen en de vorm waarin voorzieningen kunnen worden verleend, waarbij wordt bepaald dat woonvoorzieningen waarvan de kosten gelijk zijn aan of meer bedragen dan € 45 378 niet worden verleend, tenzij weigering van die voorziening gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard;
b. de hoogte van de financiële tegemoetkomingen;
c. de procedure met betrekking tot de toekenning, de herziening, de beëindiging en de terugvordering van voorzieningen, daaronder begrepen het inwinnen van deskundigenadvies;
d. de gronden waarop voorzieningen kunnen worden beëindigd, dan wel teruggevorderd.
2. De hoogte van de financiële tegemoetkomingen kan worden afgestemd op het inkomen van de gehandicapte en zijn echtgenoot. Ten aanzien van de vaststelling van het inkomen van de gehandicapte die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, kan in aanmerking worden genomen het gezamenlijk inkomen van de ouders van de gehandicapte, dan wel indien de gehandicapte een pleegkind is, het gezamenlijk inkomen van de pleegouders indien laatstgenoemden het pleegkind als een eigen kind opvoeden en onderhouden.
3. Een financiële tegemoetkoming voor een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte wordt verleend aan de eigenaar van de woonruimte.
4. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, regels stellen met betrekking tot de financiële tegemoetkomingen.
5. Op de financiële tegemoetkomingen is <a href="/wet/BWBR0005537" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht</a>niet van toepassing.
6. Het bedrag, genoemd in het eerste lid, onder a, kan door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, met ingang van een kalenderjaar worden gewijzigd, indien daartoe aanleiding bestaat als gevolg van de ontwikkeling van de prijzen van bouwkundige of woontechnische ingrepen in of aan de woning.