BWBR0006124
Geldig vanaf 1993-09-01
Artikel 3
Kostenregeling Pensioen- en spaarfondsenwet 1993
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt elk jaar de heffingsgrondslag van ieder fonds over het laatstverstreken jaar vast. Onder laatstverstreken jaar wordt verstaan het jaar voorafgaande aan dat waarin de begroting, bedoeld in artikel 2, wordt opgesteld.
2. Bij het vaststellen van de heffingsgrondslag gaat de Pensioen- & Verzekeringskamer uit van de door elk fonds over het betrokken jaar ingediende staten.
3. De heffingsgrondslag bedraagt voor een fonds niet meer dan € 544 536 259.
4. Voor zover een fonds de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de toepassing van de wet heeft overgenomen van een fonds dat in de loop van het laatstverstreken jaar heeft opgehouden te bestaan, wordt de heffingsgrondslag van het laatstbedoelde fonds toegerekend aan het overnemende fonds.
2. Bij het vaststellen van de heffingsgrondslag gaat de Pensioen- & Verzekeringskamer uit van de door elk fonds over het betrokken jaar ingediende staten.
3. De heffingsgrondslag bedraagt voor een fonds niet meer dan € 544 536 259.
4. Voor zover een fonds de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de toepassing van de wet heeft overgenomen van een fonds dat in de loop van het laatstverstreken jaar heeft opgehouden te bestaan, wordt de heffingsgrondslag van het laatstbedoelde fonds toegerekend aan het overnemende fonds.