BWBR0006039
Geldig vanaf 1993-07-14
Artikel 14
Verplaatsingskostenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie
1. Dit artikel is van toepassing voor zover artikel 13geen toepassing heeft gevonden.
2. De ambtenaar die geen opdracht heeft om te verhuizen, heeft aanspraak op een tegemoetkoming in de kosten voor het dagelijks reizen tussen de woning en de plaats van tewerkstelling, indien de te reizen afstand meer dan 10 kilometer bedraagt.
3. De ambtenaar die opdracht van het bevoegde gezag heeft gekregen naar of naar de nabijheid van de standplaats te verhuizen en daarin, ondanks alle pogingen daartoe niet slaagt, heeft aanspraak op een tegemoetkoming in de kosten voor het dagelijks reizen tussen de woning en de plaats van tewerkstelling, zolang hij bij de verhuizing in aanmerking zou kunnen komen voor een tegemoetkoming in de verhuiskosten en de te reizen afstand meer dan 10 kilometer bedraagt.
4. Een ambtenaar, bedoeld in het derde lid, die naar het oordeel van het bevoegde gezag niet dagelijks heen en weer kan reizen, heeft, tenzij van overheidswege al dan niet tegen betaling in huisvesting wordt voorzien, aanspraak op een tegemoetkoming in de pensionkosten voor verblijf in een pension in of nabij de standplaats, benevens een tegemoetkoming voor ten hoogste één maal per week in de reiskosten voor gezinsbezoek, dan wel voor reiskosten naar de plaats waar hij metterwoon nog gevestigd is. Indien de ambtenaar er niet in slaagt om een pension in de standplaats te betrekken en hij zich naar het oordeel van het bevoegde gezag daartoe voldoende inspanningen heeft getroost, heeft hij tevens aanspraak op een tegemoetkoming in de kosten voor het dagelijks reizen tussen het pension nabij de standplaats en de plaats van tewerkstelling.
5. Indien een ambtenaar als bedoeld in het derde en vierde lid, naar het oordeel van het bevoegde gezag, niet alles wat redelijkerwijs van hem mag worden verwacht heeft gedaan om zo spoedig mogelijk te verhuizen, komt hij niet langer in aanmerking voor de tegemoetkomingen, bedoeld in het derde en vierde lid.
6. Een ambtenaar die een functie voor betrekkelijk korte duur bekleedt of voor betrekkelijk korte duur elders is geplaatst en als gevolg daarvan niet behoeft te verhuizen kan in afwijking van het tweede lid een tegemoetkoming in de reiskosten, als bedoeld in het derde lid, worden verleend, dan wel een tegemoetkoming overeenkomstig het vierde lid, indien de ambtenaar, naar het oordeel van het bevoegde gezag, niet dagelijks heen en weer kan reizen.
7. De ambtenaar die in verband met een verplaatsing opdracht van het bevoegde gezag heeft gekregen om naar of naar de nabijheid van de toekomstige standplaats te verhuizen en die voor de datum van verplaatsing verhuist, heeft tot een maximumtermijn van drie maanden aanspraak op een tegemoetkoming in de kosten voor het reizen tussen de nieuwe woning en de plaats van tewerkstelling, bedoeld in het derde lid, dan wel op de tegemoetkoming, bedoeld in het vierde lid.
8. De tegemoetkomingen, bedoeld in dit artikel, worden vastgesteld volgens nader door Onze Minister te stellen regels.
9. Onze Minister is bevoegd om ten behoeve van de ambtenaar voor wie de plaats van tewerkstelling buiten Nederland is gelegen, regels vast te stellen, die afwijken van de in het achtste lid bedoelde regels.
2. De ambtenaar die geen opdracht heeft om te verhuizen, heeft aanspraak op een tegemoetkoming in de kosten voor het dagelijks reizen tussen de woning en de plaats van tewerkstelling, indien de te reizen afstand meer dan 10 kilometer bedraagt.
3. De ambtenaar die opdracht van het bevoegde gezag heeft gekregen naar of naar de nabijheid van de standplaats te verhuizen en daarin, ondanks alle pogingen daartoe niet slaagt, heeft aanspraak op een tegemoetkoming in de kosten voor het dagelijks reizen tussen de woning en de plaats van tewerkstelling, zolang hij bij de verhuizing in aanmerking zou kunnen komen voor een tegemoetkoming in de verhuiskosten en de te reizen afstand meer dan 10 kilometer bedraagt.
4. Een ambtenaar, bedoeld in het derde lid, die naar het oordeel van het bevoegde gezag niet dagelijks heen en weer kan reizen, heeft, tenzij van overheidswege al dan niet tegen betaling in huisvesting wordt voorzien, aanspraak op een tegemoetkoming in de pensionkosten voor verblijf in een pension in of nabij de standplaats, benevens een tegemoetkoming voor ten hoogste één maal per week in de reiskosten voor gezinsbezoek, dan wel voor reiskosten naar de plaats waar hij metterwoon nog gevestigd is. Indien de ambtenaar er niet in slaagt om een pension in de standplaats te betrekken en hij zich naar het oordeel van het bevoegde gezag daartoe voldoende inspanningen heeft getroost, heeft hij tevens aanspraak op een tegemoetkoming in de kosten voor het dagelijks reizen tussen het pension nabij de standplaats en de plaats van tewerkstelling.
5. Indien een ambtenaar als bedoeld in het derde en vierde lid, naar het oordeel van het bevoegde gezag, niet alles wat redelijkerwijs van hem mag worden verwacht heeft gedaan om zo spoedig mogelijk te verhuizen, komt hij niet langer in aanmerking voor de tegemoetkomingen, bedoeld in het derde en vierde lid.
6. Een ambtenaar die een functie voor betrekkelijk korte duur bekleedt of voor betrekkelijk korte duur elders is geplaatst en als gevolg daarvan niet behoeft te verhuizen kan in afwijking van het tweede lid een tegemoetkoming in de reiskosten, als bedoeld in het derde lid, worden verleend, dan wel een tegemoetkoming overeenkomstig het vierde lid, indien de ambtenaar, naar het oordeel van het bevoegde gezag, niet dagelijks heen en weer kan reizen.
7. De ambtenaar die in verband met een verplaatsing opdracht van het bevoegde gezag heeft gekregen om naar of naar de nabijheid van de toekomstige standplaats te verhuizen en die voor de datum van verplaatsing verhuist, heeft tot een maximumtermijn van drie maanden aanspraak op een tegemoetkoming in de kosten voor het reizen tussen de nieuwe woning en de plaats van tewerkstelling, bedoeld in het derde lid, dan wel op de tegemoetkoming, bedoeld in het vierde lid.
8. De tegemoetkomingen, bedoeld in dit artikel, worden vastgesteld volgens nader door Onze Minister te stellen regels.
9. Onze Minister is bevoegd om ten behoeve van de ambtenaar voor wie de plaats van tewerkstelling buiten Nederland is gelegen, regels vast te stellen, die afwijken van de in het achtste lid bedoelde regels.