BWBR0006039
Geldig vanaf 1993-07-14
Artikel 13a
Verplaatsingskostenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie
1. De ambtenaar, wiens functie in het kader van de verplaatsing van zijn dienstonderdeel over een aanmerkelijke afstand is verplaatst en die als gevolg daarvan is verhuisd, ter zake waarvan hij aanspraak heeft op een tegemoetkoming in verhuiskosten als bedoeld in artikel 3, eerste of tweede lid, wordt met inachtneming van door Onze Minister te stellen regels een eenmalige functieverplaatsingstoelage en een tegemoetkoming in huurkosten dan wel in de rentekosten voor een hypotheek verleend.
2. In de gevallen waarin de ambtenaar en zijn echtgenote beiden aanspraak hebben op de toelage en tegemoetkoming, genoemd in het eerste lid, ontvangt elke ambtenaar de helft van de in het eerste lid genoemde functieverplaatsingstoelage en huur- of rentetegemoetkoming.
3. De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, aan wie binnen twee jaren na de verhuizing ontslag op verzoek wordt verleend of die ten gevolge van aan hem te wijten feiten of omstandigheden binnen twee jaren na de verhuizing wordt ontslagen, dient de hem toegekende functieverplaatsingstoelage en tegemoetkoming in huur- of rentekosten terug te betalen. Overgang binnen een maand naar een andere functie binnen de rijksdienst wordt niet als een ontslag op verzoek beschouwd.
4. De in het eerste lid genoemde functieverplaatsingstoelagen en tegemoetkoming in huur- of rentekosten wordt aan de ambtenaar die in verband met een verplaatsing van zijn functie dient te verhuizen, slechts verleend, indien de ambtenaar schriftelijk heeft verklaard dat een verplichting tot terugbetalen als bedoeld in het derde lid hem bekend is.
5. In geval van overlijden van de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, komt de aanspraak op de in het eerste lid bedoelde functieverplaatsingstoelage en tegemoetkoming in huur- of rentekosten toe aan zijn nagelaten gezinsleden.
6. De ambtenaar wordt geen functieverplaatsingstoelage en geen tegemoetkoming in huur- of rentekosten ingevolge het eerste lid verleend, indien de verhuizing niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaren na zijn functieverplaatsing.
2. In de gevallen waarin de ambtenaar en zijn echtgenote beiden aanspraak hebben op de toelage en tegemoetkoming, genoemd in het eerste lid, ontvangt elke ambtenaar de helft van de in het eerste lid genoemde functieverplaatsingstoelage en huur- of rentetegemoetkoming.
3. De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, aan wie binnen twee jaren na de verhuizing ontslag op verzoek wordt verleend of die ten gevolge van aan hem te wijten feiten of omstandigheden binnen twee jaren na de verhuizing wordt ontslagen, dient de hem toegekende functieverplaatsingstoelage en tegemoetkoming in huur- of rentekosten terug te betalen. Overgang binnen een maand naar een andere functie binnen de rijksdienst wordt niet als een ontslag op verzoek beschouwd.
4. De in het eerste lid genoemde functieverplaatsingstoelagen en tegemoetkoming in huur- of rentekosten wordt aan de ambtenaar die in verband met een verplaatsing van zijn functie dient te verhuizen, slechts verleend, indien de ambtenaar schriftelijk heeft verklaard dat een verplichting tot terugbetalen als bedoeld in het derde lid hem bekend is.
5. In geval van overlijden van de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, komt de aanspraak op de in het eerste lid bedoelde functieverplaatsingstoelage en tegemoetkoming in huur- of rentekosten toe aan zijn nagelaten gezinsleden.
6. De ambtenaar wordt geen functieverplaatsingstoelage en geen tegemoetkoming in huur- of rentekosten ingevolge het eerste lid verleend, indien de verhuizing niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaren na zijn functieverplaatsing.