1. Binnen vijf maanden na ontvangst van de bescheiden, bedoeld in artikel 25, vijfde lid, stelt de minister de bijdrage vast.
2. De minister stelt de hoogte van de bijdrage vast op:
a. het bedrag van de werkelijke bestedingen, vermeerderd met
b. de kosten verbonden aan de voorbereiding, begeleiding en toezicht van de onder a bedoelde maatregelen tot 15% van het verleende kasbudget, en
c. het bedrag van de verstrekte voorschotten dat krachtens artikel 26, tweede lid, in 1994 wordt besteed.
3. De krachtens het tweede lid vast te stellen bijdrage kan niet meer bedragen dan de voor het kalenderjaar 1993 verstrekte voorschotten.
4. Indien de verklaring, bedoeld in artikel 25, vijfde lid, onder b, daartoe aanleiding geeft, kan de minister de beschikking inzake de verlening van de bijdrage voor het kalenderjaar 1993 geheel of gedeeltelijk intrekken. Hij kan tevens de voor 1993 verstrekte voorschotten geheel of gedeeltelijk terugvorderen.
5. Voor zover uit de rekening en verantwoording, bedoeld in artikel 25, vijfde lid, mocht blijken dat de in 1993 verleende voorschotten voor meer dan 50% niet zijn besteed, vordert de minister de overschrijding van dat percentage terug.