BWBR0005966
Geldig vanaf 2006-01-24
Artikel 1
Besluit regeling van een vergoeding voor vice-president van de Raad van State en de Staatsraden, enz.
1. De vice-president van de Raad van State, de staatsraden en de staatsraden in buitengewone dienst, bedoeld in artikel 4, derde lid, van de Wet op de Raad van Stateontvangen een maandelijkse kostenvergoeding voor de kosten die aan de vervulling van het ambt zijn verbonden en die voor eigen rekening komen. De maandelijkse vergoeding bedraagt met ingang van 1 januari 2008:
a. voor de vice-president € 635,– en
b. voor de staatsraden € 529,–.
c. voor de staatsraden in buitengewone dienst, bedoeld in artikel 4, derde lid, van de Wet op de Raad van State: een zodanig deel van het bedrag, bedoeld in onderdeel b, als overeenkomt met de vastgestelde omvang van de te vervullen taak.
2. De vice-president van de Raad van State, de staatsraden en de staatsraden in buitengewone dienst, bedoeld in artikel 4, derde lid, van de Wet op de Raad van Stateontvangen een maandelijkse kostenvergoeding voor de kosten die aan de vervulling van het ambt zijn verbonden en die voor eigen rekening komen. De maandelijkse vergoeding bedraagt:
a. voor de vice-president voor het jaar 2001: € 544,–, voor het jaar 2002: € 562,–, voor het jaar 2003: € 577,– en voor het jaar 2004: € 587,–;
b. voor de staatsraden voor het jaar 2001: € 454,–, voor het jaar 2002: € 470,–, voor het jaar 2003: € 483,– en voor het jaar 2004: € 491,–;
c. voor de staatsraden in buitengewone dienst, bedoeld in artikel 4, derde lid, van de Wet op de Raad van State: een zodanig deel van het bedrag, bedoeld in onderdeel b, als overeenkomt met de vastgestelde omvang van de te vervullen taak.
a. voor de vice-president € 635,– en
b. voor de staatsraden € 529,–.
c. voor de staatsraden in buitengewone dienst, bedoeld in artikel 4, derde lid, van de Wet op de Raad van State: een zodanig deel van het bedrag, bedoeld in onderdeel b, als overeenkomt met de vastgestelde omvang van de te vervullen taak.
2. De vice-president van de Raad van State, de staatsraden en de staatsraden in buitengewone dienst, bedoeld in artikel 4, derde lid, van de Wet op de Raad van Stateontvangen een maandelijkse kostenvergoeding voor de kosten die aan de vervulling van het ambt zijn verbonden en die voor eigen rekening komen. De maandelijkse vergoeding bedraagt:
a. voor de vice-president voor het jaar 2001: € 544,–, voor het jaar 2002: € 562,–, voor het jaar 2003: € 577,– en voor het jaar 2004: € 587,–;
b. voor de staatsraden voor het jaar 2001: € 454,–, voor het jaar 2002: € 470,–, voor het jaar 2003: € 483,– en voor het jaar 2004: € 491,–;
c. voor de staatsraden in buitengewone dienst, bedoeld in artikel 4, derde lid, van de Wet op de Raad van State: een zodanig deel van het bedrag, bedoeld in onderdeel b, als overeenkomt met de vastgestelde omvang van de te vervullen taak.