BWBR0005965
Geldig vanaf 1993-05-01
Artikel 5a
Uitvoeringsregeling grondontsmettingsmiddelen
1. Als organisme als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel a, van het besluit wordt aangewezen het stengelaaltje (Ditylenchus dipsaci (Kühn) Filipjev) in de teelten, genoemd in de Regeling teeltverboden stengelaaltjes.
2. Aan het onderzoeksplan, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel b, van het besluit worden de volgende eisen gesteld:
a. het betreft het gebruik van een grondontsmettingsmiddel als onderzoeksvariant,
ten behoeve van het verkrijgen van een bepaalde mate van besmetting van bodemorganismen of
ten behoeve van het tussentijds of na afloop van het onderzoek ontsmetten van een proefveld waar als gevolg van het onderzoek op dat proefveld bodemorganismen zijn ontstaan die voor het volggewas of de omgeving onschadelijk moeten worden gemaakt en
als onderzoeksvariant,
ten behoeve van het verkrijgen van een bepaalde mate van besmetting van bodemorganismen of
ten behoeve van het tussentijds of na afloop van het onderzoek ontsmetten van een proefveld waar als gevolg van het onderzoek op dat proefveld bodemorganismen zijn ontstaan die voor het volggewas of de omgeving onschadelijk moeten worden gemaakt en
b. het betreft veldonderzoek waarbij effecten van teeltmaatregelen op rassen of gewassen respectievelijk teeltrelevante effecten van rassen of gewassen worden vergeleken en welk onderzoek wordt uitgevoerd door instellingen die verbonden zijn aan het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij of door bedrijven en instellingen die dit onderzoek uitvoeren na goedkeuring door het georganiseerde land- en tuinbouwbedrijfsleven en het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij gezamenlijk of
c. het betreft veldonderzoek ten behoeve van het verkrijgen of uitbreiden van een toelating van een gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 1 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, waarvoor een proefontheffing krachtens artikel 15 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 is gegeven.
2. Aan het onderzoeksplan, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel b, van het besluit worden de volgende eisen gesteld:
a. het betreft het gebruik van een grondontsmettingsmiddel als onderzoeksvariant,
ten behoeve van het verkrijgen van een bepaalde mate van besmetting van bodemorganismen of
ten behoeve van het tussentijds of na afloop van het onderzoek ontsmetten van een proefveld waar als gevolg van het onderzoek op dat proefveld bodemorganismen zijn ontstaan die voor het volggewas of de omgeving onschadelijk moeten worden gemaakt en
als onderzoeksvariant,
ten behoeve van het verkrijgen van een bepaalde mate van besmetting van bodemorganismen of
ten behoeve van het tussentijds of na afloop van het onderzoek ontsmetten van een proefveld waar als gevolg van het onderzoek op dat proefveld bodemorganismen zijn ontstaan die voor het volggewas of de omgeving onschadelijk moeten worden gemaakt en
b. het betreft veldonderzoek waarbij effecten van teeltmaatregelen op rassen of gewassen respectievelijk teeltrelevante effecten van rassen of gewassen worden vergeleken en welk onderzoek wordt uitgevoerd door instellingen die verbonden zijn aan het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij of door bedrijven en instellingen die dit onderzoek uitvoeren na goedkeuring door het georganiseerde land- en tuinbouwbedrijfsleven en het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij gezamenlijk of
c. het betreft veldonderzoek ten behoeve van het verkrijgen of uitbreiden van een toelating van een gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 1 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, waarvoor een proefontheffing krachtens artikel 15 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 is gegeven.